Alaska 2: de laatste loodjes…
Voor onze laatste trip naar Alaska vertrokken we op 18 juni naar Skagway. Onze vriend Larry bracht ons vanuit Whitehorse. Het visum wat we hadden voor de Verenigde Staten liep 21 juni af. Maar de laatste keer dat we Alaska verlieten, hadden we navraag gedaan wat we het beste konden doen. Het advies van de douanier was om gewoon naar de grenspost van Alaska te komen en daar een verlenging aan te vragen. Het was niet nodig om het oude visum bij de Canadese grenspost er uit te laten halen. Toen wij dus aankwamen bij de douaniers van Skagway en vertelden dat we tot 1 juli in Alaska wilden blijven terwijl ons huidige visum maar tot 21 juni geldig was, wist de douanier eerst niet wat hij moest doen. Raar, want dat lijkt mij (Pierre) juist een substantieel onderdeel van zijn werk. Nadat hij navraag bij een collega had gedaan, meldde hij ons dat we het visum eerst bij de Canadese douane er uit moesten laten halen en dan een nieuwe konden krijgen bij hem. Ja, ja, elke douanier houdt er schijnbaar zijn eigen werkmethode op na. Ik wilde protesteren, maar werd door Ellen en Larry daarvan weerhouden. Dat zou namelijk nog meer problemen opleveren. Want als een Amerikaan ‘macht’ heeft dan toont hij dat ook graag. Het liefst met de hand rustend op het wapen. Dat maakt nog meer indruk…
Helaas voor ons was de Canadese grenspost 25 kilometer terug, dus 50 kilometer en drie kwartier later, stonden we weer bij onze vrienden. Het ironische aan dit hele verhaal is dat de Canadese douane ons vertelde dat onze oude visum door hun naar de Alaskaanse douaniers gebracht moet worden. Ik wilde nog aanbieden om ze mee te nemen, maar zag daar maar van af omdat ik er zelf de logica ook niet meer van begreep…
Eenmaal in Skagway hebben we ‘s avonds voor de eerste keer in Noord-Amerika lekker buiten de deur gegeten in een Thais restaurant.
De volgende dag zijn we met de ferry naar Juneau gegaaan. Juneau is de hoofdstad van Alaska en is de enige hoofdstad ter wereld die niet over de weg te bereiken is. Alleen over het water en door de lucht kun je er komen. Onze ferry deed er slechts 2,5 uur over met een kruissnelheid van ruim 65 kilometer per uur. Nadat we de eerste nacht in een oud en vervallen hotel hadden geslapen, zijn we de volgende dag verhuist naar een beter onderkomen. Eigenlijk was het een klein appartementje met zelfs een afwasmachine, wasmachine en droger.
We zijn er bijna een week gebleven. Het weer was redelijk met maar 1 verregende dag. Ook maar 1 dag met veel zon, maar we mochten niet klagen. Vorig jaar heeft de zon maar drie dagen geschenen in de hele zomer. Bijna elke dag hebben we een mooie wandeling gemaakt. Sommige konden zelfs vanuit het dorp gemaakt worden. We konden, nog steeds door de sneeuw, niet hoger komen dan 800 meter, maar het uitzicht vanaf deze hoogte was al erg mooi. Ondanks dat Juneau bekend staat om zijn grootste populatie beren hebben we deze hier niet gezien. Aan de ene kant willen we die natuurlijk wel graag zien, maar aan de andere kant is het veiliger van niet en moeten we daarom geluid maken. Omdat we niet als een stel idioten in onze handen willen klappen en constant ‘beer’, ‘beer’, ‘beer’ willen roepen, hebben we normale gesprekken en zingen we af en toe wat eenvoudige deuntjes. Maar op een gegeven moment zijn we toch echt wel uitgekletst, mede omdat we de afgelopen twee jaar alles gezamenlijk hebben beleefd. We hebben de beren in ieder geval niet gezien, maar zij hebben ons wellicht wel gezien en anders zeker geroken, want we hadden boterhammen met roomkaas met zalmsmaak voor de lunch bij. Waarschijnlijk niet echt handig, maar wel lekker.
Populair is het om een excursie te maken waarbij je op zoek gaat naar walvissen. Deze komen in deze periode van het jaar zeer veel voor. Volgens de regels moeten de boten echter wel 200 meter van de walvissen vandaan blijven. Wij hebben uiteindelijk besloten om dit niet te doen en hebben voor een dag een auto gehuurd en daarmee bijna alle verharde wegen rondom Juneau verkend. Naast een enkele wandeling zijn we op verschillende plaatsen gestopt en over het water uitgekeken op zoek naar walvissen. Een keer keken we vanuit de auto over het water uit en hoorden we ineens een enorm geblaas. Toen we uit de auto kwamen, zagen we dat er onder ons, zo’n 10 meter uit de kust een walvis zwom. Later, op een andere plaats hebben we er nog twee gezien, iets verder uit de kust.
Vanaf Juneau is het met een snelle boot zo’n 4,5 uur varen naar Sitka. Onderweg zagen we nog een aantal walvissen, maar altijd op enige afstand en we waren er natuurlijk al lang voorbij voordat de walvis weer boven water kwam. De laatste 2 uur van de reis gaat via een erg smalle vaarroute. De eilanden waar we tussen door varen, liggen erg dicht op elkaar en de stroming kan er heel sterk zijn. De boot moet vanwege de veiligheid regelmatig vaart minderen. We vinden dit het mooiste stuk van de route.
Sitka is een dorp waar de Russische invloeden nog zichtbaar zijn. Dat dateert nog uit de tijd dat Alaska aan Rusland toebehoorde. We hebben hier schitterend weer en daar profiteren we direct van. De eerste dag gaan we gelijk naar de top van een berg, waarbij het laatste stuk door de sneeuw was. Vandaar een schitterend uitzicht over Sitka, de baai, de vele bewoonde en onbewoonde eilandjes voor de kust en dalen en bergtoppen rondom ons. Er was in Sitka weinig accommodatie vrij en we hadden dan ook twee adressen, een voor drie nachten en een voor een nacht, nodig voor ons verblijf. Beide bij een Bed & Breakfast. Hoewel ontbijt konden we het toch echt niet noemen. Nadat we aangegeven hadden dat Ellen lactose-intolerant is, kregen we voor ontbijt zelf gebakken appeltaart met los een stuk kaas er over heen. Dat smelt lekker, zei ze, als je het opwarmt in de magnetron. Nou we hebben het maar zonder de kaas gegeten, niet opgewarmd en zeker niet voor het ontbijt. Het smaakte wel bij de thee ‘s middags. Helaas had ze het niet zelf gebakken en zat er wel melk in… Een andere ochtend had ze een broodje met worstachtige substantie met ei en kaas dat maar even in de magnetron hoefde en overheerlijk smaakte wist ze uit ervaring. Het feit dat de kaas van de koe kwam begreep ze echt niet, want het kwam toch echt gewoon uit de supermarkt. We hebben de hoop opgegeven en daarmee ook haar ontbijt wat eigenlijk toch al geen ontbijt was.
De tweede Bed & Breakfast was van totaal andere orde, de eigenaar was namelijk kunstenaar. Hij sneed uit botten, hout of steen allerlei dieren. Prachtige dingen en hij vertelde een van de bekendste kunstenaars te zijn in Noord-Amerika, en we kunnen toch echt wel beamen dat zijn werk prachtig is. Zijn mentaliteit is wel van een andere orde, we raakten aan de praat over wat wij nou vonden van de oorlog in Irak en het leven in Alaska. Zijn mening over de oorlog was dat het een gerechtige oorlog was, het Amerikaanse volk was de Irakezen aan het behoeden van de ondergang omdat ze geen God hadden… We hebben onze mening maar voor ons gehouden. Over het andere onderwerp, het leven in Alaska, kon ik (Ellen) het niet laten mijn mening te geven, ik was te verbijsterd voor woorden. Hij vertelde namelijk een jachtvergunning te hebben. Elk jaar mag hij in het hoge noorden vier Caribous neerschieten, maar dat deed hij maar af en toe. Wat hij veel leuker vond was met een katapult de toendra in te wandelen en op fazanten te schieten. Op mijn vraag of dat niet verschrikkelijk precies werk was, zei hij geoefend te hebben tijdens de Vietnamoorlog, toen had hij met de katapult op de Vietcong geoefend… Waar woorden op sommige momenten te kort schieten, gingen mijn gedachten uit naar de mensen die op deze manier zijn geraakt.
Voor het avondeten hebben we in het dorp een heel geschikte plek gevonden. Namelijk een Japans restaurant waar ze hele goede sushi hebben. Daar hebben we twee keer uitgebreid gegeten. Heerlijk.
Verder hebben we natuurlijk ook nog wat cultuur opgedaan in Sitka. We zijn naar een museum geweest waar te zien is hoe men vroeger leefde in zo’n geisoleerde gemeenschap. In het nabijgelegen park staan vele totempalen die een bepaalde stam vertegenwoordigden. Ook is daar de plek waar verschillende zee- en veldslagen zijn geleverd, maar daar is niets meer van te zien.
Voor de terugreis naar Juneau hebben we deze keer gekozen voor een langzame boot. Ook op deze boot is het ons gelukt om een goede plaats te bemachtigen, namelijk voorin in het midden. Zo kunnen we constant vooruit kijken en hebben we de meeste kans op het zien van walvissen. En omdat dit een langzamere boot is (nog steeds 40 kilometer per uur) mogen we ook buiten op het voordek staan en langszij lopen. Bij de snelle boten kun je alleen maar op het achterdek buiten staan. De langzame boot vaart vanaf Prince Rupert naar Skagway en doet daar meerdere dagen over. Op het bovenste achterdek stonden zeven tenten. Dat is namelijk de goedkoopste manier om deze reis af te leggen. Wij voeren alleen overdag mee. We hebben wederom verschillende walvissen gezien. Tevens was er deze keer een naturalist aan boord die allerlei presentaties hield over dieren en planten. Het leek wel een compleet verzorgde cruise.
De volle dag die we nog in Juneau hadden, is verregend. De geplande wandeling is slecht te doen bij nat weer en daar hebben we dan ook maar van af gezien.
Op 1 juli voeren we weer terug naar Skagway. Vlak voordat we aankomen, vliegt er een groep puffins voor de boot langs. Dat is vast en zeker ons afscheidscadeau van Alaska.
En eigenlijk ook van onze reis, want het enige wat ons nog resteert is in Whitehorse onze spullen pakken, afscheid nemen van onze vrienden waar we af en aan anderhalve maand verbleven en we van hun huis onze uitvalsbasis mochten maken.
Op 3 juli vlogen we terug naar Nederland. Daar wacht onze familie ons op, staan ons weer Nederlandse lekkernijen te wachten en gaan we onze familie en vrienden weer zien. Twee jaar zijn voorbij (gevlogen). We hebben werkelijk een heel bijzondere tijd gehad die we niet hadden willen missen. We hebben samen deze reis gemaakt en twee jaar lang 7 dagen per week, 24 uur per dag samen alle mooie momenten mogen meemaken. Ook de tegenslagen, maar deze waren snel vergeten als we ons weer in het volgende schitterende avontuur storten.
We hebben gedurende onze reis in totaal 50 reisverlagen geschreven. In eerste instantie voor ons zelf zodat we, naast de dagboeken die Ellen bijhield, een uitgebreide beschrijving hebben van alle interessante belevenissen die we hebben meegemaakt en interessante plaatsen waar we zijn geweest. Wij hebben onze reisverslagen ook naar jullie gestuurd en zodoende waren jullie in staat om van afstand onze reis te volgen. Uit mails die we hebben ontvangen, blijkt dat velen onze reisverslagen hebben gelezen. Dat heeft het voor ons natuurlijk alleen maar extra leuk gemaakt. Wij danken jullie voor alle interesse die jullie getoond hebben door niet alleen onze reisverslagen te lezen, maar ons ook te mailen.
Ellen & Pierre (niet meer op reis)
17 August 2007
By on 07:02
Alaska 1: whitehorse en een walvis
Vanuit Whitehorse is het heel gemakkelijk om Alaska te bereiken. Naar het zuiden ben je in twee uur in Skagway en naar het oosten zijn er twee wegen die je binnen een dag in Alaska kunnen brengen. Voor het laatste gedeelte van onze reis zullen wij Whitehorse als onze basis gebruiken. Vanaf hier zullen we meerdere malen tochten naar Alaska ondernemen.
De eerste bracht ons, samen met Larry en Suej, voor een dag naar Skagway. Skagway is de meest noordelijke plaats van de ‘inside passage’. Een tocht die je per ferry kunt afleggen langs de Canadese en Alaskaanse kust van Vancouver naar Skagway. Daarnaast leggen er ontelbare cruiseschepen aan in de haven van Skagway. Het hele dorpje is daar op ingesteld, waardoor het wat van zijn oude charme heeft verloren. Gelukkig zijn wij er voor het hoogseizoen hetgeen betekent dat er slechts twee cruiseschepen liggen afgemeerd. Nadat we een tijdje door het dorp hebben geslenterd, begeven we ons naar het treinstation. Vanaf hier maken we een toeristisch ritje naar de White Pass, de grens met Canada. Het is een trein die over smal spoor rijdt en het steilste traject van Alaska heeft. Al gauw bevinden we ons boven de boomgrens. Omdat we nog vroeg in het seizoen zijn, rijdt de trein door een prachtig landschap. De rails wordt omgeven door een meterhoge muur van sneeuw. Het is een prachtige dag waardoor we ver kunnen kijken. Ook tijdens de autorit van Whitehorse naar Skagway zagen we dit schitterende winterse landschap al.
Op 22 mei zijn we begonnen aan ons rondje door Alaska. Alaska heeft niet veel wegen, dus met een rondje en een paar aftakkingen kun je het grootste deel van het wegennet beslaan. We beginnen met de noordelijke route naar Alaska. De eerste dag voert ons nog door Canada en we vinden een goede kampeerplek. Het is mooi weer, dus we besluiten de tent op te zetten. De volgende dag gaan we al vroeg op pad en rijden de Dempster Highway op. Deze weg is om meerdere redenen bekend. De onverharde weg voert helemaal naar het noorden van Canada tot Inuvik, bijna tot de zeventigste noorderbreedtegraad en dus tot over de poolcirkel. De weg kruist een paar rivieren die in de zomer met een ferry gepasseerd kunnen worden, maar in de winter, als alles bevroren is, moet over het ijs worden gereden. Als wij de weg op rijden, zijn de rivieren niet te kruisen, want het ijs is aan het smelten en niet sterk genoeg meer om er over heen te rijden. En de ferry vaart nog niet vanwege de hoeveelheid ijs. De weg is dus tijdelijk niet geheel af te leggen. Nu was dat ook niet onze bedoeling. We hadden gehoord dat de weg verderop vrij ruig wordt en onze auto is daar toch niet voor geschikt. Daarbij zij we eigenlijk vooral geinteresseerd  in de de eerste honderd kilometer. De weg gaat dan dwars door het park Tombstone. Een park wat gekenmerkt wordt door tundra, meren, bergen en wildleven. De kleuren van de tundra beginnen zich al te manifesteren. In de zomer ontdooit de bovenste halve tot twee meter van de grond. De volgende circa honderd meter is permanent bevroren. We vonden het landschap schitterend. Op de terugweg komen we in aanraking met het andere fenomeen waarvoor de Dempster Highway zo bekend staat. We krijgen een lekke band. Geadviseerd wordt deze weg niet te rijden zonder twee volwaardige reservebanden. Wij hebben slechts een ‘thuiskomertje’. Deze wordt echter veel te snel warm en gaat ook lek. We zijn nog 17 kilometer verwijderd van de splitsing met de hoofdsnelweg. De dichtstbijzijnde stad is 60 kilometer van ons verwijderd en het is al avond. Niet dat het hier donker wordt, maar toch.
Er komt bijna geen verkeer meer langs. Na een half uur wachten, komt er een Duits stel met een camper aan, maar zij rijden richting het park, de verkeerde kant op voor ons. Na 20 minuten zien we weer een camper aankomen. Het blijken dezelfde Duitsers te zijn. Ze hadden geen verkeer meer gezien en besloten terug te rijden om ons te helpen. Dit onder het motto: ‘de volgende keer hebben wij hulp nodig’. Wij zijn heel blij met hun hulp. Met band en al hebben ze ons naar Dawson City gereden. De garages waren al gesloten, maar ze stonden ons nog te woord. De band kon, hetgeen we zelf ook al gezien hadden, niet meer gerepareerd worden. Banden van deze breedte hebben ze niet op voorraad. Wellicht moeten die van Edmonton worden ingevlogen. Dat kan al bij al drie dagen gaan duren. De volgende werkdag zal meer duidelijkheid bieden.
Het is mooi weer, maar we hebben geen spullen bij ons, dus we huren een huisje in het centrum van Dawson City. De volgende morgen terug naar de garage om te horen wat er gedaan kan worden. Gelukkig hebben ze de juiste banden in Whitehorse op voorraad. Die worden de komende nacht met de vrachtwagen gebracht. We bestellen twee banden, zodat we ook een reserve hebben, hoewel we die zonder velg er nooit gelijk op kunnen leggen. Het thuiskomertje blijkt achteraf ook niet meer gerepareerd te kunnen worden. Nederlanders die we in Dawson City hebben ontmoet, zijn zo vriendelijk geweest om ons een lift te geven naar onze auto waardoor we al onze spullen er uit kunnen halen. Een dag later lift ik (Pierre) terug naar de auto met een nieuwe band. De plaatselijke dominee geeft me een lift tot de kruising met de Dempster Highway. Hij gaat het wegrestaurant binnen en drinkt een kop koffie, samen met een dakloze die hij ook een lift gaf. Na een half uur heb ik nog steeds geen auto gezien die de Dempster Highway oprijdt, behalve een van een wegwerker, maar die mogen geen lifters meenemen. Dezelfde dominee ziet me nog steeds staan en besluit me een lift naar onze auto te geven. Ontzettend aardig, want in het komende uur was er nog steeds geen auto gepasseerd. Ik had dus lang kunnen wachten. Al met al zijn we hier door een hoop aardige mensen geholpen. Zonder hen hadden we nooit onze reis zo snel kunnen hervatten. We zijn ze dankbaar.
Een oponthoud van een paar dagen. Maar gelukkig is Dawson City niet de meest vervelende stad daarvoor. Daarbij hadden we zonnig en warm weer. De stad zelf lijkt wel een beetje op een oude western decor. Er is hier ontzettend veel naar goud gezocht (en gevonden) en de omgeving van Dawson City getuigt daar nog steeds van. Overal liggen grote hopen met steenpuin, uit de rivieren gehaald en gezeefd.
Eindelijk beginnen we dan toch aan ons Alaska avontuur. We steken vanuit Dawson City de rivier met een ferry over. We rijden nu zonder complete reserveband en we moeten een heel stuk over een onverharde weg. We rijden over de ‘Top of the World Highway’. De weg gaat over bergkammen en geeft een vergezicht naar zowel rechts als links en voor ons zien we de weg slingerend verder de woestenij in verdwijnen. Zo ver als we kunnen kijken niets anders dan bergen. Aah, dan toch, een gebouw. Het blijkt het douanekantoor te zijn. We zijn bij de grens met Alaska aangekomen. Nadat we plechtig hebben beloofd dat we geen vuurwapens bij ons hebben, mogen we, weer een paspoortstempel rijker, doorrijden.
De weg voert nog een 160 kilometer verder voordat we de Alaskan Highway weer bereiken. Onderweg zijn we nog Chicken, met 21 inwoners, gepasseerd.
Over de Alaskan Highway rijden we naar het eindpunt van deze weg naar Delta Junction. Daar kunnen de ijverige toeristenjagers bij het informatiebureau een certificaat halen dat ze de Alaskan Highway helemaal hebben gereden. Wij willen echter alleen maar informatie over de gesteldheid van een bepaalde, onverharde, weg. Dat was echter te veel gevraagd. Ergens anders vinden we uit dat de 200 kilometer lange weg erg slecht is en zeker niet wordt aangeraden om zonder reserveband te berijden. We zetten dus koers naar Fairbanks, de meest noordelijke bestemming op onze reis, bijna 65 graden noorderbreedte. Maar eerst passeren we nog het plaatsje Northpole. Jawel het woonadres van de Kerstman voor Noordamerikanen. Als je een brief stuurt, komt die daar aan. Er is een hele grote winkel met alleen maar kerstartikelen en inderdaad er hangen heel veel brieven in de winkel.
Onderweg naar Northpole hadden we ten zuiden van ons al grote rookpluimen gezien. Het blijkt een bosbrand te zijn. Het is de eerste van het seizoen en de lokale bevolking hoopt dat het geen voorbode is voor de rest van de zomer, wij hopen het van harte met ze mee.
We passeren Fairbanks en buigen af naar het zuiden. We zoeken een kampeerplaats, maar de eerste ligt onder de rook van de bosbrand en daarna komen we er geen meer tegen. Ook andere accommodatie is er niet te vinden op deze weg. Uiteindelijk rijden we helemaal door naar Denali Nationaal Park. Het is begonnen met regenen en we zijn doodvermoeid. Laat checken we in bij een motel.
De volgende dag rijden we de laatste tien kilometer naar de ingang van het Denali Nationaal Park. We mogen het park maar gedeeltelijk met eigen vervoer inrijden. Willen we verder, dan moet dat met een bus van het park. De hoogste berg van Noord-Amerika, Mount Mc. Kinley, is hier gelegen. Omdat het weer slecht is en de bewolking laag hangt, beperken we ons in dit Nationaal Park tot de videofilmpjes die in het informatiecentrum worden vertoont en de tentoonstelling. Daarna rijden we naar Anchorage, de grootste stad van Alaska, maar niet de hoofdstad. We hebben een kamer in de buurt van een groot meer, zodat we de watervliegtuigjes af en aan zien vliegen.
Vanuit Anchorage rijden we naar Seward. De eerste helft van de rit is mooi, daarna vast ook, maar door de regen zien we daar maar bar weinig van. We besluiten toch maar om een nacht in Seward te blijven en ‘s avonds wordt het droog. We lopen naar de haven waar een zeeleeuw zich te goed doet aan een grote vis en verwonderen ons om de enorme grote campers die hier allemaal geparkeerd staan. Het is hier in Canada en Alaska heel populair om met een camper rond te trekken. De Amerikanen en Canadezen doen dat zelf ook en hun campers hebben vaak de omvang van een bus waarbij aan beide zijden van de camper twee of drie compartimenten uitschuiven, waardoor de ruimte enorm wordt. Naast de eigenaren, vaak 70plussers die niet eens een normale auto kunnen besturen, maken ook honden, katten en andere snuisterijen onderdeel van de inventaris uit. Daarnaast hebben ze meestal achter dit gevaarte nog een grote auto hangen die dan dienst doet als boodschappenwagen. Achter deze auto passen altijd nog wel een paar fietsen en voor eventuele kano’s is plaats bovenop de camper. We vragen ons af of deze mensen ook nog een huis hebben. Het lijkt ons een overbodige luxe.
‘s Avonds maken we nog een ritje naar de Exit gletsjer. Dat is een van de gletsjers die van een ijsplateau in een van de dalen uitloopt. De Exit gletsjer is eenvoudig te bereiken. Slechts een half uurtje lopen vanaf de parkeerplaats. Terwijl we daar rondlopen, ziet Ellen op een berghelling, zo’n vijfhonderd meter van ons vandaan, een zwarte beer lopen. Met onze verrekijker kan ik hem inderdaad ook spotten. Het is de eerste zwarte beer die we zien tijdens een wandeling. Deze is op een hele veilige afstand.
‘s Ochtends nemen we nog een kijkje in het Sealife Center. Hier zien we onze eerste puffins. Ze leven hier ook in het wild op de rotsen en kliffen (en dus alleen per boot bereikbaar), maar omdat ze schuw zijn, zijn ze normaal niet van dichtbij te zien. Daarnaast zien we natuurlijk nog vele andere soorten vissen en dieren.
We zitten op een schiereiland en het weer is niet verbeterd. We besluiten dan ook om niet naar Homer, aan de andere kant van het schiereiland, te rijden, maar in plaats daarvan naar Valdez te gaan. We rijden daar in twee dagen naar toe.
De route naar Valdez loopt regelmatig langs de grote oliepijplijn die van Prudhoe Bay in het noorden naar Valdez in het zuiden loopt. Valdez is de meest noordelijke ijsvrije haven van Alaska. De pijplijn heeft een doorsnede van 1,20 meter en is 1280 kilometer lang waarvan bijna de helft ondergronds is gebracht. De oliepijplijn is niet een rechte pijp, maar maakt vele bochten en daarnaast kan de pijplijn ook op de dragers nog een meter heen en weer manouevreren. Dit om de werkingen van de koude en warmte te kunnen opvangen als ook de gevolgen van een aardbeving. Onderweg zijn 8 pompstations en worden drie bergketens gepasseerd. Elke dag wordt er zo’n 160 miljoen liter ruwe olie doorheen gepompt.
Valdez is natuurlijk ook bekend om zijn olieramp (ruim 40 miljoen liter) op 23 maart 1989 met het schip de Exxon Valdez. Maar nu, bijna 20 jaar later, is daar niets meer van te zien. Zandkastelen bouwen op het strand wordt nog steeds afgeraden, want dan kom je wel onder de olie te zitten. Een andere toeristische trekpleister dankzij deze ramp is het plaatselijke cafe. De kapitein van het schip heeft zich hier volgens de geruchten volgedronken voordat hij aan boord ging.
Helaas hebben we in Valdez ook te maken met het typische Alaska-weer. We bekijken nog wel het dorp inclusief het eindpunt van de oliepijpleiding, maar houden het verder voor gezien.
Vanuit Valdez rijden we terug richting Canada. We willen nog naar Haines (ook Alaska), maar om daar te komen, moeten we via Canada. Vroeg in de middag passeren we de grens. We zijn van plan om in de buurt van het Kluane Nationaal Park te overnachten. Helaas, vrijwel alle accommodatie is nog gesloten. Raar, want het is inmiddels al 1 juni en het seizoen is nu toch zeker wel begonnen. Zelfs enkele tankstations zijn nog gesloten. Zo zijn we gedwongen om door te rijden tot aan Haines Junction. Dit is maar 160 kilometer van Whitehorse. We besluiten om eerst naar Whitehorse te gaan en later naar Haines. Uiteindelijk blijven we 4 volle dagen in Whitehorse. Onze vrienden zijn in Vancouver en we hebben het hele huis voor ons alleen. We doen veel achterstallig werk op de computer en genieten van het mooie weer.
Daarna rijden we naar Haines. Onderweg stoppen we een paar keer om een wandeling te maken. We passeren weer een hoge pas. Alles is nog wit, er ligt nog een meter sneeuw langs de kant van de weg. We spenderen uren aan het vinden van geschikte accommodatie, maar het is allemaal slechte kwaliteit voor veel geld. Uiteindelijk vinden we iets wat ons wel wat lijkt, maar de eigenaren zijn niet thuis. We checken, moe als we zijn, ergens anders in. ‘s Avonds bellen we nog met de andere accommodatie en als ze thuis zijn, besluiten we om te gaan kijken. Het is een compleet ingericht appartement, met luxe ontbijt en uitzicht over de baai. We besluiten dit te nemen voor de volgende twee nachten. Het blijken heel aardige mensen te zijn. Nadat ze vernomen hebben dat Ellen een melkalergie heeft, gaat ze direct aan de slag om voor haar apart brood te bakken en aparte zoetige lekkernijen te maken. Omdat haar man jarig is, krijgen we ook nog een stukje taart aangeboden. Echt heel aardig allemaal.
Eindelijk hebben we eens geluk met het weer in Alaska. En wat is het dan toch ontzettend mooi. We worden gelijk enthousiast over Alaska, maar realiseren ons wel dat het weer een grote invloed heeft op hoe je zo’n mooi landschap kunt ervaren. Er is een aantal wandelingen naar bergtoppen die, naar we horen zeggen, een schitterend uitzicht geven op de eilanden en baaien ten zuiden van ons, maar deze zijn nog niet bereikbaar omdat de toppen nog bedekt zijn met een flinke laag sneeuw. Het is daarom niet mogelijk om boven de boomgrens te komen. We besluiten om een aantal kustwandelingen te maken. Het pad is erg mooi, een soort tropisch regenwoud, en onderweg passeren we een aantal baaien. Het uitzicht vanaf hier is schitterend. De tweede dag is het zelfs onbewolkt en het water kalm. Aan de overkant van de baai zien we onze eerste walvis. Het is van grote afstand, maar we zien hem duidelijk zijn staart omhooggooien voordat hij een diepe duik maakt. Daarna zien we hem nog een keer terug. Verder is dit het gebied van de Baldeagle, een adelaar die hier het hele jaar is te zien. Nu zijn er slechts een paar honderd, maar in november zwelt dit aantal aan tot bijna vijfduizend. Op een boomtak kunnen er dan gemakkelijk drie naast elkaar zitten. Deze adelaren hebben een spanwijdte van ruim twee meter.
De dag dat we van Haines terug rijden naar Whitehorse genieten we van een onbewolkte hemel, waardoor de route, die op de heenweg al mooi was, nu nog veel mooier is.
18 June 2007
By on 19:34
Canada 3: wildlife
Nadat we uit Jasper zijn vertrokken, hebben we veel wildleven gezien. Het begon al net buiten Jasper toen ik (Pierre) de eerste moose (soort eland) spotte. We zagen hem op een verlaten paadje staan. Toen we stopten en keken of we hem nog zagen, was hij nergens meer te bekennen. Terug in de auto bleek de moose een rondje gelopen te hebben en kwam daarna langs de weg naar ons toe gelopen. Hij keek ons aan en stak nog net niet zijn hoofd door de zijruit naar binnen. Die middag hebben we veel zwarte beren gezien, in totaal 10 (Ellen 11)! Allemaal langs de kant van de weg. Als we er een zagen, reden we eerst door, keerden de auto, reden er weer voorbij, keerden weer en lieten toen de auto op de vluchtstrook langzaam tot stilstand komen. Hierdoor werden de beren nauwelijks tot niet afgeschrikt en gingen ze gewoon door met waarmee ze bezig waren. Meestal was dit eten. Hierdoor hebben we de zwarte beren uitgebreid kunnen observeren en ook een aantal mooie foto’s kunnen maken. Eenmaal hebben we zelfs een moeder met twee kleine beertjes gezien. Erg lief. Prince George was onze bestemming voor die dag, maar dat was zo’n depressieve stad met veel verslaafden dat we de vogende dag gelijk weer verder zijn gereden naar Dawson Creek.
Dawson Creek staat bekend om het beginpunt van de Alaskan Highway. Deze snelweg is in 1942 aangelegd in iets minder dan 9 maanden tijd. De snelweg loopt door, zoals de naam al doet vermoeden, tot in Alaska (Delta Junction) en er is door tienduizenden militairen (vooral van de Verenigde Staten) en ingenieurs aan gewerkt. Bevel is daartoe gegeven vlak na de aanval van de Japanners op Pearl Harbour. En aangezien Alaska een strategische ligging heeft, maar niet over land was te bereiken, is de Alaskan Highway aangelegd om aansluiting te vinden op het daar al bestaande wegennet. Zes maanden na het einde van de Tweede Wereldoorlog is de snelweg op Canadees grondgebied overgedragen (voor 123,5 miljoen dollar) aan Canada. Maar het was niet voor 1947 dat de snelweg zodanig verbeterd was dat het voor alle verkeer toegankelijk werd. De snelweg ging door ongerepte natuur en kwam daarbij ook dicht bij nederzettingen waar de oorspronkelijke bewoners leefden. Hun leven is door de komst van de Alaskan Highway in de daaropvolgende decennia hevig veranderd. Na eeuwen in isolement geleefd te hebben, kwamen ze nu in aanraking met andere mensen en dus ook met hun ziekten en gebruiken (alcohol waar ze aan verslaafd raakten). In veel delen van Canada en Alaska is nog steeds te zien dat de integratie niet geheel vlekkeloos is gegaan. De oorspronkelijke bewoners worden hier overigens ‘First Nations’ genoemd.
De Alaskan Highway van Dawson Creed tot Delta Junction heeft een afstand van zo’n 2450 kilometer. De dorpen langs de route zijn vaak vele honderden kilometers uit elkaar gelegen en zijn soms niet groter dan enkele honderden inwoners. Onderweg hebben we dan ook nog meer wildleven gezien. Nog een aantal zwarte beren, eenmaal een grizzly, een moose, twee wolven, veel caribous die soms in groepen over het land trekken van zuid naar noord, steenschapen en een vos. De vos is normaal, evenals de wolf, moeilijk te spotten, maar deze trok zich niets van ons aan en liep langs de weg door het groen te struinen en ging op zijn gemak uit een poel water drinken. Wat een ontzettend mooi zicht was dat.
Hiermee is een grote wens van ons in vervulling gegaan. Na al de mooie landschappen die we onderweg al gezien hebben en nog steeds zien, hebben we inmiddels ook al een heel scala aan dieren gezien. Van de meeste hebben we zelfs mooie foto’s kunnen maken, wat aangeeft hoe duidelijk we ze hebben kunnen gadeslaan.
De Alaskan Highway bracht ons van Dawson Creek via onder andere Fort Nelson, Liard River Hotsprings en Watson Lake naar Whitehorse. In Liard River Hotsprings hebben we een flinke pauze ingelast en hebben een paar uur in de natuurlijke warmwaterbronnen gezeten. Ondanks de voorzieningen als kleedkamers, toiletten, vlonder, trapjes en bankjes in het water deed het erg natuurlijk aan. Door het warme tot hete water floreerden de bomen en planten weelderig. We hadden echt het gevoel dat we midden in de natuur in een warmwaterbad zaten. Erg relaxed.
In Whitehorse (het is inmiddels medio mei) werden we heel hartelijk ontvangen door onze vriende Larry en Suej. We kennen hen van onze Zuid-Amerika reis. In Ushuaia hebben we zo enthousiast over Antarctica verteld dat ze vlak na ons ook spontaan besloten hebben om daar naar toe te gaan. Zij wonen 15 kilomter buiten het centrum van Whitehorse midden in het bos. Hun hond houdt erg van frisbee-en en daar is voldoende ruimte voor. Zodra je het woord frisbee uitspreekt, kom je er niet meer onderuit om met haar te gaan spelen. We hebben hier een week uitgerust, een aantal korte (avond)wandelingen gemaakt en eenmaal met Suej een kanotocht gemaakt over de Yukon rivier.
Omdat we onze eigen ruimte hebben, voelt het alsof we een huis hebben en we genieten daar dan ook intens van. Niet dat we daar meer gebruik van maken om te slapen, want het is veel te gezellig om over van alles te kletsen en samen dingen te ondernemen. We krijgen zo een goed idee van het leven hier. Althans in dit seizoen, want in de winter is het heel anders. Omdat we boven de zestigste graad noorderbreedte zitten en we al aardig bij de datum van 21 juni in de buurt komen, wordt het hier nog maar nauwelijks donker. Na elven gaat weliswaar de zon onder, maar tot na twaalven is het mogelijk een boek buiten te lezen zonder extra licht. En ‘s morgens voor vier uur wordt het al weer licht. Elke dag gaat de zon ruim 5 minuten later onder (en weer eerder op). Omdat we geen gordijnen of iets anders voor de ruiten hebben, ondervinden we de nodige problemen om voldoende slaap te krijgen.
12 June 2007
By on 16:58
Canada 2: Rocky mountains
Via Kootenay nationaal park zijn we naar Banff gereden. Banff is een erg mooi, toeristisch, dorp gelegen in het zuiden van de Rocky Mountains. Het is omgeven door een aantal fraaie bergen en is de uitvalsbasis voor de Rocky Mountains en een beroemd uitstekend skigebied. Wij waren er eind april, begin mei en er werd nog volop geskied. Niet verwonderlijk, want het sneeuwde er nog regelmatig. Op 29 april hebben we in Banff wat sneeuw gehad, maar in de bergen viel 15 centimeter verse sneeuw op de basis van ruim twee meter die er nog was.
In totaal zijn we 10 dagen in Banff gebleven. We hebben onszelf verwend met een hele mooie kamer voorzien van open haard (hout was in ruime mate aanwezig en mochten we zelf klieven), keuken en tv met heel veel kanalen. Verder was er een gemeenschappelijke sauna, zwembad en heetwaterbad, maar daarvan hebben we slechts eenmaal gebruik gemaakt. Hier hebben we ook Ellens verjaardag gevierd. Naast een tafel met lekkere hapjes hebben we marshmallows boven het haardvuur geroosterd. Vanaf het balkon konden we soms hertachtigen op het gras zien lopen en hadden we uitzicht op een hele mooie berg.
Voor Ellens verjaardag hebben we een grottentocht gemaakt. We waren de enige twee deelnemers en hebben dus veel uitleg van de gids gehad. Was erg leuk omdat we alledrie enthousiast waren. De grot bevond zich ten oosten van Canmore. Eerst hebben we 20 minuten tegen een beghelling opgeklommen voordat we de grot binnen konden. Bij de ingang waren veel beschilderingen, nog afkomstig van de eerste bewoners in dit gebied. In een diep gat liggen vele botten afkomstig van vele diersoorten, zelfs ook van dieren die nu uitgestorven zijn.We hebben een deel van het gigantische gangenstelsel in een loop afgelegd. Soms waren de ruimten groot, maar soms waren ze erg nauw zodat we er maar net met ons lichaam doorheen konden. Dan moesten we ons in een nauwe spleet naar beneden laten glijden terwijl we iedere keer bijna vast kwamen te zitten. Ik vond het wel grappig en heb hiervan komische foto’s gemaakt. Aan het eind waren er ook de gebruikelijke staligtieten en stalignieten te zien, evenals schimmels.
In de nationale parken hebben we een aantal mooie wandelingen gemaakt, waarvan een paar ook weer in de (verse) sneeuw. Dit leverde mooie winterse plaatjes op. Vanuit Banff hebben we eveneens de nationale parken Lake Louise (waar het meer nog steeds helemaal bevroren is) en Yoho bezocht. We hebben hier een aantal regendagen gehad maar ook een hele zonnige dag. Op deze zonnige dag hebben we een groot deel van de Icefield Park Highway gereden. Deze snelweg gaat dwars door de Rocky Mountains en wordt beschreven als een van de mooiste snelwegen van de wereld. De weg doet dan ook helemaal niet aan als een snelweg, mede omdat commercieel vrachtverkeer verboden is. De vluchtstroken zijn breed en door de weggebruikers, voornamelijk toeristen in het hoogseizoen, wordt daarvan gebruik gemaakt om te stoppen. Het landschap verandert continue en is inderdaad zeer mooi. Vele bergen, valleien, gletsjers en meren zijn vanaf de weg te zien. En er is altijd kans om wat wildleven tegen te komen. Wij zijn hier nog geen beren tegengekomen, maar wel berggeiten, schapen met grote hoorns en veel hertachtigen.
Vanuit Banff zijn we via de Icefield Park Highway naar Jasper gereden, wat gelegen is in het gelijknamig nationaal park. Hier zijn we 3 dagen gebleven en hebben een aantal kleine wandelingen gemaakt. Hier hebben we nog meer van hetzelfde wild gezien, maar ook een coyote.
We hebben dus al veel wild gezien, maar nog geen beren. Een beetje jammer, maar wie weet wat we nog gaan zien in het volgende traject van onze reis. We hebben inmiddels 6.000 kilometer afgelegd terwijl we pas 800 kilometer van Vancouver zijn verwijderd.
5 June 2007
By on 10:08
Canada 1: Met een mustang op reis
Vertrokken op 22 maart uit Santiago, met een tussenlanding in Los Angelos waar we tot onze verbazing snel en zonder problemen doorheen kwamen, arriveerden we op 23 maart vermoeid in Vancouver. De douane was echter niet van plan ons zonder slag of stoot te laten passeren. Kijkend in ons paspoort met meer dan 40 Zuid-Amerikaanse stempels kregen we vele vragen over ons heen. Wat dachten we te gaan doen in Canada? Hoelang willen we in Canada blijven? Waar gingen we overnachten? Hoeveel geld hadden we bij ons? Of we al een vliegticket het land uit hebben? En hoe we dat allemaal wel niet denken te bekostigen? Vooral deze laatste vraag is zeker viermaal gesteld.
De antwoorden waren ons inziens simpel: ruim drie maanden willen we in Canada blijven, overnachtend in motels, voldoende geld bij ons en op de bank en ja we hebben een vliegticket het land uit (want een retourtje vanuit Santiago was goedkoper dan een enkeltje) alleen konden we dat laatste niet laten zien omdat het via internet was geboekt en we geen afdruk hadden gemaakt. Deze simpele antwoorden konden de ‘beste’ man echter niet overtuigen en hij maakte een aantekening op onze visumaanvraag en zond ons door naar een ander vertrek. Daar konden we aansluiten bij een rij ‘asielzoekers’ en andere ongelukkigen zoals wij. Na ruim een uur waren we aan de beurt en kregen dezelfde vragen nogmaals. Deze keer was het echter geen probleem en kregen we onze visum voor 6 maanden. Welkom in Canada… Volgens ons tellen ze de dagen al af tot ons vertrek…
Dat was de eerste schok. Laten we het maar de cultuurschok noemen. De tweede kwam niet veel later: de ‘prijsschok’. We waren natuurlijk aardig gewend aan de goedkope Zuid-Amerikaanse prijzen, maar hier in Canada ligt het prijsniveau een stuk hoger, gemiddeld zeker factor 3. De goedkoopste accommodatie is duurder dan de duurste in Zuid-Amerika. Dat vergde enige tijd om daar weer gewend aan te raken. Maar het zal wel een goede overgang zijn voor onze terugkomst straks naar Nederland. We zijn benieuwd, hoewel niet echt, wat alles daar kost.
In Vancouver hadden we eerst wat werk te verrichten. Het belangrijkste was het kopen of huren van een auto. Daarnaast moest Ellen nieuwe bergschoenen hebben en waren we beide toe aan wat nieuwe kleding. De schoenen hebben we met veel moeite gevonden. De kleding ook, al leverde dat soms wat problemen op. Een fleece voor mij (Pierre) heb ik pas na ruim twee weken gevonden tijdens de reis. Alle anderen die lang genoeg waren voor mijn armen waren genoeg om drie van mijn buikjes warm te houden.
De zoektocht naar de auto was niet eenvoudiger. Huren voor drie maanden was een dure maar wel gemakkelijke optie. Het aanbod van betaalbare auto’s was van weinig kwaliteit. Dilemma. Gelukkig kregen we hier hulp van onze vrienden uit Whitehorse (Yukon) die we later gaan opzoeken. Zij brachten ons in contact met een aantal vrienden in Vancouver. Bij een van hen hebben we een paar dagen doorgebracht en hij bood ons zijn auto te koop aan voor een vriendschappelijke prijs. Hij had te veel auto’s en moest er een kwijt. en aangezien zijn zus de bedoelde auto niet meer wilde overkopen, konden wij hem kopen. Dat aanbod hebben we in dank aanvaard en daarom rijden we nu rond in een witte Ford Mustang uit 1994 met slechts amper 120.000 kilometer op de teller en een 5 liter achtcilinder motor onder de kap. Als we dan toch gaan rondrijden door Canada laten we het dan ook doen in een echte Noord-Amerikaanse auto dachten we.
Op 2 april zijn we op pad gegaan. Intussen was ons al duidelijk geworden dat we nog vroeg in het seizoen zaten. Hadden we gedurende onze hele reis bijna altijd alles goed voorbereid, dit hadden we echt onderschat. We hoopten hier veel wandelingen te kunnen maken, met name in de bergen, maar dat zal niet gaan. Er ligt nog meters sneeuw. Het is een hele lange en strenge winter geweest. Om de tijd tot de bergen een beetje op te rekken, hebben we besloten om het zuiden van British Columbia uitgebreid te bereizen. Vanuit Vancouver zijn we al noord-zuid-zigzaggend naar het oosten gereden. Als eerste richting Whistler. Aan de weg er naar toe wordt druk gewerkt om alles in gereedheid te brengen voor de Olympische Winerspelen die hier in 2010 worden gehouden. Wij hebben daar een sledehondentocht gemaakt. Voortgetrokken door zes honden (een mix van onder andere huskys en shepards) gleden we over de sneeuw. De honden waren dolenthousiast dat ze konden rennen en dat lieten ze blijken door een luid geblaf en gehuil tijdens het aanlijnen. Tijdens de rit was het doodstil hetgeen een schitterende ervaring voor ons was. Het mooie landschap trok aan ons voorbij. Het was onze eerste kennismaking met een sledehondentocht en het sprak ons erg aan.
Via de Fraser Canyon zijn we naar de Okanagan Valley gereden. Daar zijn heel veel wijnerijen en dus ook veel wijnproeverijen. Daar hebben we er een aantal van gedaan en hebben een paar flessen heerlijke wijn gekocht voor onderweg en voor als we onze vrienden gaan opzoeken. Hier hebben we ook voor het eerst een paar zonnige warme dagen gehad waarbij we onze korte broek aan konden doen. Heerlijk. Ten noorden van deze vallei ligt Salmon Arm, waar vrienden van ons wonen. Jan en Monique zijn met hun 3 kinderen ruim twee jaar geleden vanuit Nederland hier naartoe geemigreerd. Het was fijn om hun weer te zien en te praten over hun leven daar en onze rondreis. Het is ons wel duidelijk dat een emigratie veel met zich meebrengt en heel veel energie kost.
De eerste nationale parken komen binnen bereik. Dit zijn Revelstoke en Glacier. In Revelstoke nationaal park hebben we een aantal korte wandelingen gedaan. Een van deze wandelingen wordt aangegeven als een boardwalk. Nou dat was het voor ons niet. Het houten pad was bedekt met anderhalve tot twee meter sneeuw waarop we dan liepen. Onze voeten waren op gelijke hoogte met de bovenkant van de reling. Natuurlijk vonden we het deprimerend dat we geen lange wandeltochten konden maken, maar we moeten zeggen dat al deze sneeuw ook een speciaal effect geeft aan het landschap. Het is wel erg mooi. En een voordeel is ook dat het nog niet druk is. In de zomer is het met name in de nationale parken heel erg druk en zijn er ook veel muggen. Van beiden hebben we nu nog geen last. Overnachten doen we vooral in motels (vaak voorzien van een keuken) omdat de campings nog gesloten zijn en het ook nog behoorlijk koud is om de hele avond bij de tent buiten te zitten.
Op een mooie vrij zonnige dag zijn we door Glacier nationaal park gereden. De bergen zijn hier vrij dramatisch: steil, veel bergtoppen en allen bedekt met nog heel veel sneeuw. Er is hier een levensgrote kans op sneeuwlawines, vooral tijdens de winter en vroeg in de lente wanneer alles begint te smelten. De snelweg die door dit nationaal park loopt is een van de moeilijkste om sneeuwvrij en veilig te houden. Daarvoor worden tijdens het betreffende seizoen dagelijks metingen (visueel ter plekke) gedaan en bij gevaar wordt de weg enige tijd afgezet en wordt de lawine met granaten(vanaf de weg geschoten) geforceerd tot stand (of eigenlijk aan het rollen) gebracht.
Daarna zijn we naar de Kootenays gereden waar veel hot springs zijn. We hebben er twee bezocht (Halcyon en Radium) en hebben daar heerlijk een aantal uur in het warme water gezeten. In de omgeving van Radium zijn veel bergschapen (met grote hoorns) te vinden en deze komen ‘s avonds in grote groepen het centrum binnen lopen om te grazen op het plaatstelijk voetbalveldje. Een mooie attractie tijdens de avondwandeling. In het zuidelijk deel van Kootenay nationaal park hebben we een aantal wandelingen gedaan die al wel helemaal of gedeeltelijk te lopen waren.
En hiermee zijn we aangekomen aan de voet van de Rocky Mountains.
3 June 2007
By on 18:28


Deze site bundelt de reisbrieven van Pierre en Ellen.
Reageren naar Pierre en Ellen? mail naar: pielopreis@yahoo.com

See PielTravels for english spoken travel tales.

De reis is voorbij: Pierre en Ellen zijn in Nederland.

Afgewerkt programma: Ecuador (bergen); 9 juli t/m 27 september 2005 Peru (kust); 28 september t/m 3 november Chili (noorden); 4 november t/m 11 december Nederland; 12 december t/m 28 december Chili (zuiden); 29 december 2005 t/m 10 januari 2006 Argentinie (zuiden); 11 januari t/m 20 januari Antarctica: 21 januari t/m 10 februari Argentinie (zuiden en Buenos Aires); 11 februari t/m 1 maart Uruguay (kust); 2 maart t/m 12 maart Argentinie (noorden en midden); 13 maart t/m 19 mei Bolivia; 20 mei t/m 2 augustus Peru (bergen); 3 augustus t/m 4 september Ecuador (bergen en Galapagos); 5 september t/m 12 oktober Peru (noorden en Amazone) 13 oktober t/m november: Amazone, Brazilië; december 2006-maart 2007 Patagonië; 14 tot 23 maart Paaseiland; 24 maart 16 juni: Canada; april: Alaska.

5 May 2007
By on 21:12
Chili 8: Paaseiland
Paaseiland! Weer een hoogtepunt in onze toch al zo mooie reis. We hadden al zoveel goeds gehoord over dit kleine eiland (117 vierkante kilometer) midden in de Pacifische oceaan en we kunnen het alleen maar beamen. We zijn er een week geweest en de tijd is voorbijgevlogen. Op het vliegveld zagen we Jeanette en Michael die we eerder in Patagonie tijdens een wandeling hadden ontmoet. Het klikte zo goed dat we een groot deel van de week (ze hadden dezelfde terugvlucht) samen hebben opgetrokken.
Maar eerst iets over de ligging en de geschiedenis van Paaseiland, ofwel Rapa Nui zoals de oorspronkelijke bewoners het noemen. De naam Paaseiland is gegeven door de Nederlandse Marinier Jacob Roggeveen. Hij is de eerste Europeaan die dit eiland bezocht heeft. Dit was in april 1722 en omdat het die dag toevallig pasen was, noemde hij het Paaseiland. Rapa Nui ligt 3800 kilometer uit de kust van Chili en telt circa 3800 inwoners, waarvan ze bijna allemaal in Hanga Roa wonen. Chili heeft Rapa Nui in 1888 geannexeerd tijdens hun uitbreidingsdrift dat ook ten koste ging van een deel van Peru en Bolivia. Dit was vlak na de Pacifische oorlog van 1879-1884. Vanaf Rapa Nui is het mogelijk om 1900 kilometer in elke windrichting te varen zonder bewoond land tegen te komen. Zover bekend zijn de eerste bewoners ergens in het jaar 400 gearriveerd. Hoewel de oudste archeologische vondsten van menselijke aanwezigheid niet verder teruggaan dan het jaar 800.
De legende vertelt de komst van twee soorten mensen. Uit het oosten (Zuid-Amerika) kwamen de langoren en uit het westen (Polynesie) kwamen de kortoren. Deze bijnamen kregen ze omdat dit een van de verschillende kenmerken was tussen de twee soorten. Maar er moet nog een ander belangrijk verschil zijn geweest. Namelijk een ras, de machtigste, moet rood haar gehad hebben. Waarom? Dat vertellen de Moai’s die op hun Ahu over het land uitkijken… Dat laatste roept wellicht een aantal vraagtekens op, maar dat is de essentie waar het om draait op Rapa Nui.
Rapa Nui telt drie grote vulkanen. En een van deze vulkanen, Rano Raraku, is de geboorteplaats van alle Moai’s. Daar werden de beelden uit de rotswand van de krater gehakt. Deze beelden varieerden in lengte van 2 tot 21 meter! Het gereedschap wat men gebruikte om de beelden uit te hakken, bestond eveneens uit stenen, maar dan van een net iets hardere structuur. Het moet een enorm karwei zijn geweest om deze beelden uit de rotswand te hakken, maar een evenzeer groot karwei om ze daarna over het eiland over een afstand van soms 15 kilometer te verplaatsen en ze daarna ook nog overeind te krijgen op hun voetstuk (Ahu). De Ahu’s zijn grote stenen plateau’s waar meestal meerdere Moai’s op staan. Op het eiland zijn circa 350 Ahu’s en deze varieren van 2 tot 10 meter in hoogte. De grootste Moai geplaatst op een Ahu is 10 meter, maar de gebruikelijke hoogte is 5,5 tot 7 meter. In totaal zijn er zeker 1000 Moai’s waarvan een derde nog in de vulkaan Rano Raraku zijn. Aan velen hiervan werd nog gewerkt. Anderen waren net af en werden getransporteerd. Voor het vervoer werden onder andere boomstammen gebruikt. Dit heeft geresulteerd in een eiland vrijwel zonder bomen terwijl het van oorsprong er juist mee vol stond. De Moai’s die hun eindbestemming hebben gehaald, staan allemaal langs de kustlijn en kijken naar het land, met hun rug naar de zee.
In een andere krater is een rood gesteente aangetroffen. Dat is de plaats waar grote rode stenen gemaakt werden. Deze werden op de hoofden van de Moai’s geplaatst en drukten een haardos uit. Dit refereert dus naar het sterkere ras dat op het eiland leefde. Dit is in een vrij laat stadium toegepast en is dus slechts bij een aantal Moai’s te zien. Het plaatsen van een tonnenwegende steen op een Moai van bijna tien meter hoog is een ander probleem wat in die tijd opgelost is. Maar op de wijze waarop zijn een aantal theorieen waarvan tot op heden niet bekend is welke de juiste is.
Het werk aan de Moai’s en de rode stenen is van de een op de andere dag gestopt. Waarom is onbekend. Het tekort aan bomen voor vervoer was zeker een probleem, maar waarschijnlijk waren er op een gegeven moment niet genoeg mensen meer om er aan te werken. Velen zijn gestorven door een rassenoorlog en ook het gevangennemen en het maken van slaven kan zijn tol geeist hebben almede een uitbraak van ziekte. Rapa Nui is een eiland dat nog veel mysteries herbergt.
Enkele decennia terug stond er geen enkele Moai meer op zijn Ahu. Ze zijn allemaal neergehaald tijdens de rassenoorlog of door de tsunami’s die het eiland geteisterd hebben. Maar gelukkig zijn er in de laatste decennia’s een aantal gerestaureerd en dit geeft een goede indruk van hoe het er uitgezien heeft. De belangrijkste plaats is waar 15 Moai’s zijn gerestaureerd en naast elkaar op hun Ahu zijn geplaatst.
Naast de Moai’s op hun Ahu’s heeft Rapa Nui nog een interessante geschiedenis. De Vogelmannen leefden hier. De Vogelman genoot een vooraanstaande status en was een zeer belangrijk en invloedrijk man in die tijd. Deze status had hij voor een jaar tot er weer een nieuwe Vogelman kwam. En om Vogelman te worden, moest de Vogelmancompetitie gewonnen worden, een niet ongevaarlijke onderneming. Van de vulkaan Rano Kau moesten de deelnemers zo snel mogelijk de bijna vertikale, 300 meter stijle helling, afdalen en dan door de woeste zee zwemmen naar het grootste van de drie eilandjes die net voor de kust van het hoofeiland liggen. Dit eiland is Motu Nui en hier broedt de Manutara een soort zeemeeuw. Degene die als eerste een ei van deze vogels bemachtigd en levend terugkomt op de ceremonieplaats is de nieuwe Vogelman.
Omdat de geschiedenis een belangrijk onderdeel vormt van het eiland hebben we eerst een tour met gids gedaan waarbij we langs de belangrijkste plaatsen zijn geweest en vooral veel uitleg hebben gehad. Daarna hebben we samen met Michael en Jeanette twee dagen een auto gehuurd en het hele eiland nogmaals op ons gemak bekeken en tijd besteed aan het nemen van foto’s. Want daar lenen de Moai’s zich goed voor, vooral tijdens zonopkomst en zonsondergang. Honderden foto’s hebben we weer als herinnering meegenomen. Maar naast al dit culturele hebben we ook genoten van het heerlijke weer en het uitstekende eten. We hebben nog nooit zoveel rauwe tonijn gegeten in allerlei gerechten zoals carpaccio en civiche. Heerlijk! En de cocktails smaken met het warme weer ook op z’n best.
Ook het zeewater was een keer lekker warm en we hebben dan ook menig tijd doorgebracht aan het strand en in het water. Het leek wel een bountyeiland.
Met Paaseiland sluiten wij onze reis door Zuid-Amerika af.
Van 9 juli 2005 tot 23 maart 2007 hebben wij door dit schitterende continent (en Antarctica) gereisd en hebben intens genoten van al het moois wat hier te zien en te beleven is. De cultuur was interessant, de natuur overweldigend, maar de mensen hebben de grootste indruk op ons gemaakt. Wij sluiten onze reis af met nog ruim drie maanden Canada. Een schitterend vooruitzicht in een ander mooi land, maar we nemen toch met weemoed afscheid van Zuid-Amerika. Al weten we dat we ooit nog eens terug zullen komen, en hopelijk meerder malen.

By on 21:09
Chili 7: alle wegen gehad
In Coyhaique hebben we de auto voor 3 weken gehuurd, van 7 tot en met 27 februari. Tevens hebben we een vlucht geboekt om van 14 tot en met 21 maart naar Paaseiland te gaan. Hiermee hebben we onze laatste tijd in Zuid-Amerika gepland. Niet dat we daarna al naar Nederland gaan. Nee, we hopen eerst nog een aantal maanden in Canada rond te reizen. Maar zover is het nog lang niet. Eerst gaan we met onze gehuurde auto op pad.
De drie weken waren voldoende om bijna alle wegen in Chileens Patagonie, waar we nog niet zijn geweest, te berijden. De meeste wegen hebben we zelfs twee maal gereden omdat het doodlopende wegen zijn bij de kust of bij de grens met Argentinie. En natuurlijk moest de auto ook weer ingeleverd worden in Coyhaique.
Alleen de wegen tot 100 kilometer buiten Coyhaique zijn geasfalteerd. Van de 3210 afgelefde kilometers hebben we er zeker 2600 op onverharde wegen gereden. Een ware aanslag op het fruit dat op de achterbank ligt, maar ook op de polsen van de bestuurder.
Eerst zijn we naar het noordelijkste puntje van de Carratera Austral gereden. Dat was circa 500 kilometer waar we twee dagen over gereden hebben. Het landschap veranderde continu en werd groener en groener. De planten groter en de bladen enorm. De vegetatie werd subtropisch. Heel apart, want we zijn immers nog in Patagonie, de streek van de gletsjers.
Het noordelijkste puntje van de Carratera Austral eindigt in Park Pumalin. Dit is een groot stuk land dat is opgekocht door de Amerikaan Douglas Tompkins (eigenaar van North Face en Esprit). Doel van deze man is om de schoonheid van dit gebied te beschermen tegen bijvoorbeeld grazende kuddes die veel vegetatie verwoesten. In de dichte begroeing zijn een aantal wandelpaden aangelegd. We hebben onze tent voor twee nachten opgeslagen aan de rand van een meer, een priveveranda met schitterend uitzicht en in de avondzon konden we genieten van onze maaltijd. We hadden enorm veel geluk met het weer, zonnig en warm en ditmaal maar met een paar paardenvliegen. In Park Pumalin kwamen we wederom onze Australische vrienden tegen. Ze hadden de fietsen in een zuidelijker gelegen dorpje achtergelaten en hierheen gebust. Met een beetje proppen konden ze er met hun weinige bagage nog net bij. Ze zijn dan ook met ons meegereden naar het meer Yelcho waar we met ons vieren een nacht gekampeerd hebben. In de ochtend hebben Dave en ik nog een uurtje gekayakt. Nadat we hun hebben afgezet bij hun fietsen zijn wij doorgereden naar Futaleufu waar we onze tent voor een paar nachten aan een klein meer hebben opgezet. Heerlijk rustig en nog steeds warm weer, zodat we na het opzetten van de tent een verfrissende duik in het meer hebben genomen.
Vanuit hier hebben we onze weg naar het zuiden vervolgd. Onderweg hebben we enkele van de weinige wegen naar het oosten en westen bereden. Een daarvan is de in aanleg zijnde weg naar Bahia Exploradores. Deze weg is voor 60 kilometer te berijden en dan stopt deze ineens abrupt. Grote bomen en dichte vegetatie versperren de doorgang. Dat moet allemaal eerst worden gekapt en de grond worden geeffent. Een soort ontdekkingsreis voor de wegenbouwers, want het is werkelijk een mooie weg. Op de 60 kilometer zijn we vele watervallen, meren en gletsjers en imponerende steile bergwanden tegengekomen. Eigenlijk is het nog een stuk ongerepte natuur waar een weg doorheen loopt. Vanaf de weg kun je genieten van het uitzicht, maar er zijn geen wandelpaden het bos in. 16 Kilometer voor het einde van deze weg hebben we geslapen bij een Duits stel dat daar een Bed & Breakfast is begonnen. Ze hebben alles zelf opgezet, inclusief een waterturbine die hun van electriciteit voorziet en het water dat afkomstig is van een waterval wordt via een slang van kilometers lengte naar hun huis vervoerd en is uitstekend drinkwater.
Bij Puerto Tranquilo hebben we een boottochtje gemaakt naar de marmergrotten. Dit zijn eilandjes in een heel groot meer die helemaal bestaan uit marmer. Door erosie zijn er tunnels en andere mooie formaties ontstaan. Soms kun je er met een klein bootje zelfs doorheen. De kleuren waren verrassend helder en gaven een kleurrijk effect. Het koste me dan ook geen moeite om bijna 100 foto’s te schieten.
In Puerto Cisnes hebben we even wat minder weer gehad, een regenbui die twee nachten en een dag aanhield gaf een triestig zicht. Toen de mist eindelijk optrok zagen we dat er op 200 meter boven zeeniveau sneeuw was gevallen. De bomen hadden een mooi wit laagje. Erg mooi, maar het had niet gehoeven voor ons. Het is immers hartje zomer… Dit weer gaf ons wel de tijd om wat uren door te brengen op internet. Buiten het schrijven van nieuwsbrieven en persoonlijke mails, kijken we eigenlijk altijd ook wel naar het Nederlandse nieuws om toch een beetje op de hoogte te blijven van waar we straks weer in terecht zullen komen.
Via Coyhaique zijn we verder naar het zuiden afgezakt. Hoogtepunten waren de mooie wegen door mooi landschap van en naar Puerto Ibanez en de route naar Paso Roballos waar we honderden guanaco’s van dichtbij zagen. De laatste dagen hebben we doorgebracht in het merengebied ten zuidwesten van Coihaique. Ook hier weer schitterende uitzichten over de vele bergmeren. En ook hier werden we, na al maanden door Patagonie gereisd te hebben, opnieuw verrast met bomen en bloemen die we nog niet eerder hebben gezien. De laatste drie nachten hebben we doorgebracht in een luxere accommodatie waar we weer tot rust zijn gekomen van de toch wel drie drukke weken die we gehad hebben. Met een auto probeerden we natuurlijk zoveel mogelijk te zien (wat gelukt is) en hebben we weinig rust genomen. Nadat we de auto weer hadden ingeleverd hebben we de nachtbus naar Osorno genomen. De snelste route tussen deze twee Chileense steden is via Argentinie. Geografisch gezien lijkt dit een omweg maar het bespaart een lange ferrytocht omdat Chileens Patagonie van de rest van Chili wordt gescheiden door een stuk land waar geen wegen zijn, dus het vervoer gaat daar per boot. De ferrytijden zijn echter dermate lang dat een landroute via Argentinie sneller is. We waren net de grens met Argentinie gepasseerd en we stopten ineens. De twee chauffeurs en de bijrijder waren erg druk bezig achterin de bus. Het nam meer dan een uur in beslag en niemand zei iets. We vonden het wel vreemd want alles leek te werken. We hadden geen lekke band, de lichten deden het, de ruitenwissers ook. Wat was er dan toch aan de hand. Na een tijd hadden we het in de gaten. Er was iets anders wat nog veel belangrijker is om verder te kunnen rijden. Een verse kop automaatkoffie. En die functioneerde nu juist niet en moest dus eerst worden gemaakt. Tsja, de bus rijdt op benzine, de chauffeurs op koffie en het een kan niet zonder de ander…
Met de bus kon natuurlijk ook niets aan de hand zijn, want net nadat we vertrokken waren, stopten we aan de kant van de snelweg (in plaats van op de ruime parkeerplaats die er naast lag) en ging de chauffeur naar de heilige San Sebastian om er een paar kaarsen aan te steken voor de veilige reis. Toen de kaarsen eenmaal branden, maakten we ons al niet meer druk op het feit dat we vlak na een bocht midden op de weg stonden met de alarmlichten aan…
Veilig aangekomen in Osorno hebben we een nacht in een hotel geslapen voordat we de volgende nachtbus namen naar Santiago. Daar hebben we 12 dagen bij onze vriend Holger doorgebracht in zijn apartement. Dat was erg prettig, want hij woonde op loopafstand van een Duits ziekenhuis. Ik (Pierre) heb de laatste weken namelijk meer last gekregen van mijn rechterpols. Dit is het gevolg van de val die ik zes weken eerder gemaakt heb. Ik eerste instantie leek het beter te gaan, maar de vele kilometers achter het stuur op de onverharde wegen hebben er voor gezorgd dat het nu slechter gaat. In de Duitste kliniek hebben ze eerst rontgenfoto’s gemaakt. Niets op te zien. Daarna een CT-scan gemaakt. Ook niets op te zien. De voorgeschreven therapie haalde niets uit zodat er uiteindelijk een MRI-scan is gemaakt van mijn rechterpols. We vreesden voor een beschadiging van het kraakbeen en een operatie, maar de scan wees dat niet uit. Wel was een verdikking van een zenuw te zien en dat zou de pijn veroorzaken. Door deze pijn was ik niet eens in staat om mijn eigen naam te schrijven zonder dat de kracht in mijn hand wegviel. Tijd zou de remedie moeten zijn. We zijn benieuwd, want van de 3 maanden zijn er inmiddels al twee verstreken. Zou ik er dan echt over een maand van af zijn. In ieder geval kunnen we gewoon ons vliegticket gaan kopen voor onze reis door Canada. We hebben de vlucht geboekt voor 22 maart. Maar eerst gaan we van 14 tot en met 21 maart naar Paaseiland. We kunnen dus de rugzakken gaan inpakken.
28 March 2007
By on 11:11
Chili 6: taart met slagroom
Villa O´Higgins, het meest zuidelijke dorpje aan de Carratera Austral, de nog steeds grotendeels onverharde weg van noord naar zuid door Chileens Patagonie. Daar zijn we dan. Een afgelegen dorpje met 400 inwoners met een wegverbinding naar het noorden waarover eenmaal per twee weken verse groente, fruit en overige levensmiddelen wordt aangeleverd. In de winter is dit zelfs maar eenmaal per maand. Wij hadden echter het geluk dat op de avond dat we aankwamen er net een vrachtwagen in het dorp aan het lossen was. Wij hebben gelijk wat fruit ingeslagen voor de komende dagen. Geen verkeerd idee omdat binnen een dag het meeste al uitverkocht is. Voor de inwoners is het dan weer wachten op de volgende levering.
Omdat we de laatste weken al veel wandelingen hebben gemaakt, vond Ellen dat ze wel een paar rustdagen had verdiend. Van de twee mogelijke wandelingen wilde ik (Pierre) er echter graag een doen. De eerste wandeling die ik tijdens onze reis alleen ga doen. Normaal is het een tweedaagse wandeling of een lange dag, maar omdat ik me fit voelde, wilde ik het in een korte dag doen, zodat ik ook nog van het middagzonnetje in het park kon genieten. De wandeling voer naar een gletsjer langs een rivierbedding in een kloof die steeds smaller werd. En ineens hield het pad op. Je kon niet meer verder. Ik heb nog geprobeerd om de steile hellingen te beklimmen om een beter uitzicht op de gletsjer te krijgen, maar helaas, ze waren echt te steil en vol los gruis. Eenmaal terug op het gemakkelijke pad ben ik wat harder gaan lopen….. totdat ik ten val kwam. Ik kwam nogal hardhandig op mijn beide handen terecht, maar behalve een paar schrammetjes en een gat in mijn broek was er niets te zien.
Na drie dagen doorgebracht te hebben in het afgelegen Villa O´Higgins zijn we met de bus naar Cochrane (3.000 inwoners) gereisd. Ook hier is de bevoorrading eenmaal per twee weken, maar is de keus al een stuk groter met twee supermarktjes. We hebben een klein huisje gevonden zodat we eindelijk zelf weer gezond eten kunnen bereiden. Vanaf hier hebben we twee wandelingen gemaakt. Voor de eerste hebben we een lokaal busje genomen dat tweemaal per week naar het vertrek- en eindpunt van onze wandeling rijdt. De bus voer door een schitterend dal lang een rivier. Hier wonen nog de grootgrondbezitters die grote lappen grond hebben waar hun vee op graast. De wandeling begon met een rivierkrossing, dus de schoenen konden gelijk uit. Daarna 17 kilometer over een zandpad naar een vallei met uitzicht op een gletsjer. Kamperen kon bij de boerderij. We hadden het plan om een wandeling in deze vallei te maken en daarna door te gaan naar de volgende vallei. Het weer was echter zo mooi dat we besloten om de berg tussen deze twee valleien te beklimmen. Ook hier hadden we weer heel veel last van de paardenvliegen, maar gelukkig verdwenen deze net onder de top omdat het daar wat kouder is. Ik heb er echter een nieuw record gevestigd. In twee uur tijd heb ik zo´n 100 paardenvliegen doodgemept. Vanaf de top hadden we een ongelooflijk uitzicht. We zagen niet allen de hele vallei en de gletsjers waar we zojuist vandaan kwamen, maar ook de andere vallei met daarnaast de berg San Lorenzo. Een geweldig imposante berg die lijkt op een grote taart besmeerd met heel veel slagroom. Deze imposante berg verscheen ineens in ons gezichtsveld toen we de top naderden. Verder hadden we zicht op de bergen in Argentinie naar het oosten en naar het westen heel veel besneeuwde bergtoppen van het noordelijke ijsplateau. We hadden werkelijk het gevoel dat we zo ongeveer op het ijsplateau zelf keken, maar dat zal wel gezichtsbedrog zijn. Het was in ieder geval een schitterende ervaring. Na deze wandeling hadden we het gevoel dat we al het moois hier gezien hebben. Vier dagen na aankomst hebben we de bus terug naar Cochrane genomen, nieuwe boodschappen gedaan en gelijk een taxi genomen naar onze volgende wandelbestemming: Reserva Tamango.
De taxi kon niet helemaal tot de start van de wandeling komen omdat het laatste stuk versperd werd door een hek dat op slot zat. Wij over het hek klimmen en naar links omdat dat volgens de taxichauffeur de weg naar ons beginpunt is. Na een half uur lopen, hadden we het vermoeden dat dit niet juist was. Omdat het al laat was en we moe waren, hebben we onze tent opgezet. We stonden in de buurt van een boerderij en de eigenaren arriveerden een paar uur later. We hebben hun de weg gevraagd en inderdaad, we hadden de andere weg moeten nemen. Het was echter geen probleem dat we de nacht op hun erf doorbrachten. De volgende dag vroeg op pad naar de juiste richting. Na ruim een uur waren we er dan. De wandeling begon met een stevige klim. Na een half uur vroeg Ellen waarom deze wandeling nu ook weer zo bijzonder was. Toen ik stopte en me half omdraaide om haar te antwoorden, stond ik ineens oog in oog met een Huemel. Een Huemel is een Patagonische hertsoort. De Huemel stond op zijn gemak te grazen en trok zich nauwelijks iets aan van onze aanwezigheid. We hebben uitgebreid de Huemel kunnen observeren en foto´s kunnen nemen. Het zien van een Huemel was het hoofddoel van onze wandeling, dus dat was al snel bereikt. De huemel is een beschermd diersoort en in het park leven er nog maar een stuk of 40. En het aantal plaatsen waar ze voorkomen is ook beperkt. We hadden dus geluk dat we er al zo snel een zagen. Bij deze ene is het overigens ook gebleven. Maar we wilden nog graag onze wandeling, een circuit, afmaken. Dit was nog twee lange dagen lopen. Het pad was duidelijk gemarkeerd tot aan het eerste meer. Vandaar vervaagde het pad, waren er meerdere wegen en klopte de globale wandelkaart niet meer. Nadat we vergeefs geprobeerd hebben het juiste pad te vinden, hebben we uiteindelijk bij het eerste meer onze tent opgeslagen en zijn de volgende ochtend via dezelfde route terug naar Cochrane gelopen. We hebben er weer twee mooie wandelingen van in totaal 7 dagen opzitten. En we hebben nog steeds zin om meer mooie wandelingen te maken. Maar eerst gaan we naar Caleta Tortel.
Caleta Tortel ligt ten zuidwesten van Cochrane aan de westkust en is sinds drie jaar te bereiken via een weg. Daarvoor was het alleen bereikbaar per boot of vliegtuigje. Door de aanleg van de, onverharde, weg neemt het toerisme langzaam toe, maar het staat er nog in de kinderschoenen, zoals in zoveel plaatsen in Patagonie.
De busrit naar Caleta Tortel is ook een ervaring op zich. Wij hadden het ´geluk´ om in het busje te zitten dat ook tevens dienstdoet als postbus en cargovervoer. Dit betekent dat we om de paar kilometer stopte om ergens een pakketje levensmiddelen af te geven bij iemand die erg afgelegen woont of om pakjes sigaretten te verkopen aan de wegwerkers. Net voor Caleta Tortel gingen we ook nog naar een rivier waar de resterende goederen in een boot werden geladen om verder gedistribueerd te worden in het dorpje. In het begin vonden we het frustrerend omdat de busreis, in de toch al niet zo comfortabele bus, anderhalf uur langer duurde, maar na een tijdje beseften we dat het eigenlijk een unieke kans is om het werkelijke leven in dit afgelegen stuk continent te aanschouwen.
Caleta Tortel is een dorpje dat tegen de heuvels is gebouwd. Het telt al jarenlang 509 inwoners en heeft geen wegen. De weg die er nu naartoe leidt, eindigt op een klein parkeerplaatsje, waar ook de bus stopt. De paden tussen de huizen zijn van hout met houten leuningen. Soms lopen de paden over het water. Het zijn een soort steigers met een vaste fundering op de rotsbodem. Omdat het er vaak regent, zijn de wandelpaden erg slipperig en dat heb ik ook gemerkt. We hadden verwacht hier heerlijk vis te kunnen eten, maar niets was minder waar. Weliswaar ligt Caleta Tortel aan de kust, maar de visgronden liggen op 12 uur varen. En zelf een hengeltje uitgooien is ook niet aan te raden aangezien de riolering in de baai van het dorpje uitkomt.
Onze volgende bestemming is Villa Cerro Castillo, weer een gehucht waar op zich niets te doen is behalve een wandeling in de bergen. De befaamde berg Cerro Castillo is vanaf het dorp al zichtbaar en oogt werkelijk indrukwekkend. Massief en vele rare puntige pieken. De gletsjer en de sneeuw maken het beeld compleet. Gelukkig hebben we al ons eten voor de trektocht uit Cochrane meegenomen, want in het dorp is weinig te krijgen. De eigenaar van ons bed & breakfast brengt ons naar de start van de wandeling, 29 kilometer ten noorden langs de Carratera Austral. Vanaf hier lopen we in 5 dagen door valleien en over bergpassen langs schitterende bergen, gletsjers, meren en bossen. Vele malen moeten we een riviertje kruisen waarbij de wandelschoenen regelmatig uitmoeten. Het water is ijskoud. Ellen vindt het maar niks. Gelukkig hebben we onze sandalen bij ons wat de oversteek vergemakkelijkt. Op de tweede dag gaan we een bergpas over waar nog ruim een meter sneeuw ligt. Maar dat is geen probleem. Het wandelen over de sneeuw is eigenlijk juist gemakkelijker dan over de grote keien. De derde dag hebben we een rustdag ingelast op een mooi kampeerplekje en hebben we een korte wandeling gemaakt naar een meer aan de voet van de berg Cerro Castillo. De vierde dag moesten we weer een bergpas over, maar de afdaling was deze keer erg moeilijk. We hebben uren afgedaald over losliggende rotsblokken, keien en steentjes. Dit vergde uiterste concentratie. Eenmaal afgedaald, moesten we ons een weg banen door het dichte bos totdat we het wandelpad vonden dat door de vallei liep. We hebben voor de nacht een mooie kampeerplek gevonden op een uitgestrekt grasveld. ´s Nachts heeft Ellen driemaal de grond voelen bewegen. Ik heb alleen de laatste maal gevoeld rond 6 uur. Daarvoor was ik nog heerlijk in dromenland. Achteraf bleek dit een aantal lichte aardbevingen te zijn geweest. Het was de eerste keer dat ze een aardbeving in dit gebied hadden.
Terug van de wandeling bleek dat Ellens voeten helemaal kapot waren. Op elke teen had ze wel een open blaar en ook de onderkant van de voeten waren niet ongeschonden. Oorzaak is dat de bergschoenen helemaal versleten zijn. Bij de hiel is het leer helemaal weg. Ook zijn de schoenen niet meer waterdicht en drogen ze bijna niet meer. Ellen had er de laatste maanden al vaker last van, maar ditmaal was het te gek. We hebben besloten dat we geen verdere wandelingen meer gaan maken voordat we een paar goede nieuwe schoenen hebben gevonden. Deze zijn echter in Zuid-Amerika moeilijk te vinden. We hadden nog in ieder geval twee wandelingen gepland van 5 en 8 dagen, maar deze laten we nu dus schieten.
Vanuit Cerro Castillo zijn we met de bus naar Coyhaique gereisd waar we weer tegen Dave en Claire opliepen. We hadden verwacht dat ze al veel verder waren met de fiets, maar Dave was al een week geveld door ziekte en te zwak om te fietsen. Coyhaique is de hoofdstad van Chileens Patagonie en is met bijna 40.000 inwoners veruit de grootste stad van deze regio.
Omdat we Chileens Patagonie wat uitgebreider wilden zien dan alleen de plekken waar een bus naar toe gaat, hebben we besloten om voor 20 dagen een auto te huren. Na een zoektocht langs verhuurbedrijven hebben we een adres gevonden dat nog normale auto´s verhuurd. Alle anderen verhuren alleen nog maar, prijzige, vierwielaangedreven auto´s. De auto die we gehuurd hebben, een opel corsa, is 5 centimeter verhoogd en heeft een stalen plaat aan de onderkant ter bescherming tegen steenslag. Daarmee gaat mijns inziens gelijk de 5 centimeter weer verloren.
Voordat we vertrekken gaan we eerst boodschappen doen. En dat is een waar genot. Na weken en weken geen normale supermarkt gezien te hebben, worden we in Coyhaique getracteerd op twee grote supermarkten naast elkaar waar ze echt van alles hebben. Zelfs voor Ellen was er weer volop lekkers te vinden, zoals chocolade. We hebben genoeg eten en drinken ingeslagen voor een week. Wat een luxe.
12 March 2007
By on 22:44
Argentinië 12: oud en nieuw in tentje
Op 27 december zijn we vertrokken uit Esquel. De bus, die ´s morgens vroeg al vertrokken was uit Bariloche, pikte ons rond half twaalf op. Het is een bus die in de zomermaanden in twee dagen toeristen vervoert van Bariloche naar El Chalten in het zuiden van Argentijns Patagonie. Op dit traject van Ruta 40 rijden namelijk geen lijndiensten en de andere mogelijkheden zijn bussen via een omweg of vliegen. Maar we wilden ook graag de beroemde Ruta 40 helemaal rijden. En omdat er tussen Esquel en El Chalten ook weinig te zien is, hebben we besloten om deze bus te nemen. Het landschap onderweg is eentonig. Vele honderden kilometers dezelfde schaarse begroeiing op de verder kale gronden en lage heuvels. Omdat een groot deel van het traject ver van het Andesgebergte voert, valt daar niets van te zien. Vrijwel iedereen in de bus slaapt dan ook. Behalve wij. Wij kunnen nog steeds genieten van dit landschap wat zo kenmerkend is voor een groot deel van Argentinie. En ons staren naar buiten wordt regelmatig beloond door guanacos die in een groep parallel aan onze bus rennen, emoes en gauchos die op hun paard en met hun honden de honderden kilometers omheining van hun landgoed inspecteren.
We overnachten in Perito Moreno. Een klein dorp waar weinig te doen is. We slapen in een van de weinige hotels waar we tot onze verbazing ook een heerlijke maaltijd krijgen voorgeschoteld.
De volgende ochtend is er een excursie naar een grot waar honderden handenafdrukken zijn geschilderd. Ze dateren van duizenden jaren terug. Het heeft niet onze interesse en wij slapen lekker uit. Om tien uur zouden we op pad gaan, maar de bus arriveert anderhalf uur later. Een band verwisselen of zoiets. Het blijft verder vaag, maar wat geeft het. We zijn weer op pad en de geschatte aankomsttijd in El Chalten is ergens rond middernacht. Deze tweede dag is een herhaling van de eerste, maar de wegen zijn nu onverhard. Een paar uur voordat we er zijn, stappen er twee fietsers met hun bagage in de bus. Ze hadden geprobeerd het stuk te fietsen, maar de wind was zo sterk dat ze niet sneller gingen dan aanvankelijk vier kilometer per uur en later werder ze zelfs achteruit geblazen. Ze hadden geluk, want normaal worden er geen fieten in de bus toegelaten, maar het kantoor had ze toch toestemming gegeven. Net voor middernacht zijn we op onze bestemming.
El Chalten is een echt toeristisch dorp. Het dankt zijn bestaansrecht aan de wandelaars en klimmers in het Nationaal Park Fitz Roy. Tien jaar geleden bestond het uit een paar oude woningen. Nu is het helemaal ingespeeld op het toerisme. Ondanks dat is het nog relatief klein en doet het gezellig aan met al zijn hostels, hotels, albergues, cabanas, restaurantjes, winkeltjes en zelfs een klein bierbrouwerijtje. De acommodatie is er duur. Duurder dan waar ook in Argentinie. Maar ja, het seizoen is er ook erg kort. Al het geld moet in die paar maanden (december tot en met maart, met januari en februari als drukste maanden) verdiend worden. We vinden onze intrek in een hostel waarvan de nieuwe tweepersoonskamers net zijn opgeleverd.
Het is heerlijk zonnig weer en we lopen naar een uitkijk vanwaar we een schitterend zicht hebben op de bergen Fitz Roy en Torre en vele andere. Het is 29 december en we horen dat het deze maand de eerste dag is dat het zo goed weer is dat zowel Fitz Roy als Torre gelijktijdig zichtbaar zijn.
´s Avonds gaan we met een groep van de bus naar de bierbrouwerij en aansluitend naar een restaurant waar we heerlijk vlees en ik (Pierre) een heerlijk chocolademouse krijgen opgediend. Het beste restaurant sinds maanden.
We kunnen het goed vinden met de Australiers Dave en Claire, de twee fietsers die het laatste stuk met de bus zijn meegegaan. Ze gaan ook wandelen in Fitz Roy, we spreken daarom af bij een van de campingplaatsen in het park.
De wandeling naar onze eerste kampeerplek met zicht op de berg Torre, een vreemd smalle puntige berg met spitse pieken is een gemakkelijke wandeling met mooie uitzichten. We zetten onze tent op en lopen een beetje rond, genietend van het mooie weer en de daardoor verschafte uitzichten. ´s Avonds arriveren Dave en Claire en we eten gezamenlijk. De volgende dag gaan we met zijn vieren naar de volgende kampeerplek, vlakbij de berg Fitz Roy waarnaar het Nationaal Park is vernoemd. We vinden twee mooie kampeerplekken aan de rand van het bos, niet al te ver van de rivier. Hier vieren we, samen met twee Zwitsers die bij ons in de buurt hun tent hebben opgeslagen, Oud & Nieuw. Dave en Claire hadden rode wijn meegenomen en Ellen kwam op het idee om de wijn op te warmen. Dat was een schitterend idee, want de wijn smaakte warm voortreffelijk! Evenals vorig jaar hebben we dus al kamperend Oud & Nieuw gevierd in een Nationaal Park.
De volgende dag zijn we in een uurtje naar boven geklommen vanwaar we uitzicht kunnen hebben op de berg Fitz Roy en nog vele andere bergen. Het was echter te bewolkt om de toppen goed te kunnen zien. Ze zaten voortdurend onder de bewolking. We hebben er een paar uur rondgelopen voordat we terugkeerden. Dave en Claire zijn terug gegaan naar El Chalten. Wij hebben er nog twee nachten gekampeerd. De dag er op zijn we nogmaals naar boven gegaan en toen hadden we formidabel uitzicht op Fitz Roy. Het plaatje werd voor ons compleet toen er een aantal condors besloot om over de toppen heen en weer te scheren. Prachtig gezicht. Verder hebben we naar een gletsjer gewandeld die in de vallei ernaast ligt. Na drie dagen gekampeerd te hebben op dezelfde plek zijn we terug gegaan naar El Chalten. In tegenstelling tot veel andere wandelingen is dit mooie park te bereiken zonder voor- en natransport. In twee uur stevig doorwandelen waren we weer terug in El Chalten.
Daags er op zijn we verder naar het zuiden gereisd. Nog eens drie uur bussen door het mooie Patagonische landschap kwamen we aan in El Calafate. Opnieuw een dorp dat grotendeels leeft op tourisme dankzij de bekende Perito Moreno gletsjer. Deze is echter nog 80 kilometer buiten El Calafate. Omdat we onze tijd wilden hebben om deze fantastische gletsjer te zien, hebben we een auto gehuurd. Als we het georganiseerd deden, konden we er maar drie uur blijven, nu hebben we er meer dan zeven uur doorgebracht.
De Perito Moreno gletsjer is een grote uitloper van een groot ijsplateau. De gletsjer is vele kilometers land en mondt uit in een meer waar elke dag over de volle lengte circa twee meter afbrokkelt. En omdat de gletsjer naar onze schatting zo´n 60 meter hoog is, kan dat flinke plonzen veroorzaken wanneer er weer zo´n enorm stuk ijs in het water klettert. Het duurde een paar uur voordat we onze eerste grote zagen, maar daarnaar volgden er meer. Het is een waar spektakel om dit te aanschouwen. En het stralend zonnetje maakte het allemaal nog bijzonderder. ´s Middags zagen we het grootste stuk ijs afbreken waarop het water tot 60 meter opspatte. Indrukwekkend!
In El Calafate hebben we ook flink wat proviand ingeslagen voor onze laatste trekking in Fitz Roy en de oversteek naar Chili. We trekken hier namelijk een week voor uit en gaan wederom samen met Dave en Claire.
Eerst een paar dagen lopen in de noordelijke vallei van Fitz Roy: Valle de Fraile. De vallei op zich is mooi, maar de wandeling die we gemaakt hebben naar een zijvallei was nog mooier. Zeker als je vandaar een berg opstruint en zicht krijgt op de zijkant van het zuidelijke ijsplateau. Terwijl ik (Pierre) naar de gletsjer stond te kijken zag ik schaduwen langs me heen vliegen. Het bleken condors te zijn die op nog geen 10 meter over me heen scheerden. (Wat zou er zijn gebeurd als ik een lammetje was geweest?:-) We hadden wederom mooi weer, we blijven het goed treffen lijkt het wel.
Daarna door naar de zuidkant van Lago Desierto. We wisten dat de boot over het meer niet zou varen, zodat we er op rekenen om de 14 kilometer langs het meer te lopen. Op zich niet zo´n probleem, maar we hebben ditmaal al onze bagage en voor 4 dagen eten bij ons, omdat we niet zullen terugkeren naar El Chalten, maar doorlopen naar Chili. Dit is een grensovergang die per boot, lopend en boot gemaakt moet worden. Er is geen weg. Wij zouden weliswaar zwaar moeten tillen, maar Dave en Claire zouden het nog moeilijker hebben want die hebben geen grote rugzak en zij moeten hun fietsen meenemen over het smalle bergpad langs het meer. We hadden al afgesproken dat ze onze rugzakken konden lenen, want ze moesten toch twee keer lopen. Enfin. Aangekomen bij het meer hoorden we toevallig dat er over twee dagen wel een boot zou varen. We hebben besloten om hierop te wachten en in de tussentijd te kamperen aan de zuidkant van het meer. Ditmaal met regen en kou. En inderdaad, de boot ging. Er was veel animo door deze onverwachte kans voor velen. Aan de noordkant van Lago Desierto is de douane gevestigd. Maar voordat we Argentinie verlaten, wilden we er nog een laatste wandeling maken. Vanaf de douane kun je namelijk westwaarts lopen over een weinig begaand pad. Dit pad wordt slechts door enkele tientallen mensen per jaar gelopen. Na zes uur lopen door bos en langs meren hadden we een ongelooflijk uitzicht op een gletsjer die rechtstreeks vanaf het ijsplateau daalt als een lange golvende glijbaan zoals je die ook in waterpretparken aantreft. Deze gletsjer is zo´n 20 kilometer lang en mondt uit in een groot meer. Helaas was het te bewolkt om alle bergtoppen daarachter te zien, maar wat we zagen, was imponerend. In gedachten zien we ons over de gletsjer naar de bergen erachter lopen. Daar waar slechts een enkeling een voetafdruk heeft achtergelaten. Of misschien wel niemand. Wie zal het zeggen, het is zo afgelegen. Helaas kunnen we niet verder. Ten eerste is het onmogelijk om de gletsjer over te steken en ten tweede bevinden we ons op de rand van de grens met Chili. Na een nacht daar gekampeerd te hebben, zijn we teruggegaan naar de noordkant van Lago Desierto. Dave en Claire hebben onze onze rugzakken geleend en gaan al vast een stukje lopen in noordelijke richting. De volgende morgen om acht uur zijn ze terug zodat wij onze rugzakken laden en zij hun fietsen de eerste zeven kilometer de heuvel op sleuren. Maar eerst halen we onze exitstempel bij de Argentijnse douane. Het beloofd een zware tocht te worden, maar we hebben er zin in. De eerste zeven kilometer zijn heuvel op over smalle bospaden, daarna (op Chileens grondgebied) is het een onverharde weg geschikt voor vierwielaangedreven voertuigen. Dit deel is 15 kilometer. Ellen´s rugzak weegt zo´n 20kilo, de mijne zo´n 35. Daar zit alles in, zelfs onze dagrugzak met inhoud. We hebben nog nooit zo compact (en zwaar) gepakt. De eerste zeven kilometer leggen we af in 1 uur en 45 minuten, zonder pauze. Want we hebben geleerd dat we na een pauze altijd weer moeilijker op gang komen en het is geen lolletje om een 35 kilo zware rugzak af te doen en daarna weer op je schouders te hijsen. Halverwege de middag komen we bij de Chileense douane aan. We zijn er net voor Dave en Claire die het tweede traject fietsend hebben afgelegd. We voelen het als een prestatie. Na ruim een uur wachten, gaan we met onze spullen aan boord van een cruisebootje voor een tocht van nog bijna drie uur. We hadden zo verlangd naar een biertje maar helaas is er niets te koop op het schip. ´s Avonds komen we aan bij Villa O´Higgins. We zijn in Chili!! Leve het koude verdiende biertje.
4 March 2007
By on 10:57