Vanuit Whitehorse is het heel gemakkelijk om Alaska te bereiken. Naar het zuiden ben je in twee uur in Skagway en naar het oosten zijn er twee wegen die je binnen een dag in Alaska kunnen brengen. Voor het laatste gedeelte van onze reis zullen wij Whitehorse als onze basis gebruiken. Vanaf hier zullen we meerdere malen tochten naar Alaska ondernemen.
De eerste bracht ons, samen met Larry en Suej, voor een dag naar Skagway. Skagway is de meest noordelijke plaats van de ‘inside passage’. Een tocht die je per ferry kunt afleggen langs de Canadese en Alaskaanse kust van Vancouver naar Skagway. Daarnaast leggen er ontelbare cruiseschepen aan in de haven van Skagway. Het hele dorpje is daar op ingesteld, waardoor het wat van zijn oude charme heeft verloren. Gelukkig zijn wij er voor het hoogseizoen hetgeen betekent dat er slechts twee cruiseschepen liggen afgemeerd. Nadat we een tijdje door het dorp hebben geslenterd, begeven we ons naar het treinstation. Vanaf hier maken we een toeristisch ritje naar de White Pass, de grens met Canada. Het is een trein die over smal spoor rijdt en het steilste traject van Alaska heeft. Al gauw bevinden we ons boven de boomgrens. Omdat we nog vroeg in het seizoen zijn, rijdt de trein door een prachtig landschap. De rails wordt omgeven door een meterhoge muur van sneeuw. Het is een prachtige dag waardoor we ver kunnen kijken. Ook tijdens de autorit van Whitehorse naar Skagway zagen we dit schitterende winterse landschap al.
Op 22 mei zijn we begonnen aan ons rondje door Alaska. Alaska heeft niet veel wegen, dus met een rondje en een paar aftakkingen kun je het grootste deel van het wegennet beslaan. We beginnen met de noordelijke route naar Alaska. De eerste dag voert ons nog door Canada en we vinden een goede kampeerplek. Het is mooi weer, dus we besluiten de tent op te zetten. De volgende dag gaan we al vroeg op pad en rijden de Dempster Highway op. Deze weg is om meerdere redenen bekend. De onverharde weg voert helemaal naar het noorden van Canada tot Inuvik, bijna tot de zeventigste noorderbreedtegraad en dus tot over de poolcirkel. De weg kruist een paar rivieren die in de zomer met een ferry gepasseerd kunnen worden, maar in de winter, als alles bevroren is, moet over het ijs worden gereden. Als wij de weg op rijden, zijn de rivieren niet te kruisen, want het ijs is aan het smelten en niet sterk genoeg meer om er over heen te rijden. En de ferry vaart nog niet vanwege de hoeveelheid ijs. De weg is dus tijdelijk niet geheel af te leggen. Nu was dat ook niet onze bedoeling. We hadden gehoord dat de weg verderop vrij ruig wordt en onze auto is daar toch niet voor geschikt. Daarbij zij we eigenlijk vooral geinteresseerd in de de eerste honderd kilometer. De weg gaat dan dwars door het park Tombstone. Een park wat gekenmerkt wordt door tundra, meren, bergen en wildleven. De kleuren van de tundra beginnen zich al te manifesteren. In de zomer ontdooit de bovenste halve tot twee meter van de grond. De volgende circa honderd meter is permanent bevroren. We vonden het landschap schitterend. Op de terugweg komen we in aanraking met het andere fenomeen waarvoor de Dempster Highway zo bekend staat. We krijgen een lekke band. Geadviseerd wordt deze weg niet te rijden zonder twee volwaardige reservebanden. Wij hebben slechts een ‘thuiskomertje’. Deze wordt echter veel te snel warm en gaat ook lek. We zijn nog 17 kilometer verwijderd van de splitsing met de hoofdsnelweg. De dichtstbijzijnde stad is 60 kilometer van ons verwijderd en het is al avond. Niet dat het hier donker wordt, maar toch.
Er komt bijna geen verkeer meer langs. Na een half uur wachten, komt er een Duits stel met een camper aan, maar zij rijden richting het park, de verkeerde kant op voor ons. Na 20 minuten zien we weer een camper aankomen. Het blijken dezelfde Duitsers te zijn. Ze hadden geen verkeer meer gezien en besloten terug te rijden om ons te helpen. Dit onder het motto: ‘de volgende keer hebben wij hulp nodig’. Wij zijn heel blij met hun hulp. Met band en al hebben ze ons naar Dawson City gereden. De garages waren al gesloten, maar ze stonden ons nog te woord. De band kon, hetgeen we zelf ook al gezien hadden, niet meer gerepareerd worden. Banden van deze breedte hebben ze niet op voorraad. Wellicht moeten die van Edmonton worden ingevlogen. Dat kan al bij al drie dagen gaan duren. De volgende werkdag zal meer duidelijkheid bieden.
Het is mooi weer, maar we hebben geen spullen bij ons, dus we huren een huisje in het centrum van Dawson City. De volgende morgen terug naar de garage om te horen wat er gedaan kan worden. Gelukkig hebben ze de juiste banden in Whitehorse op voorraad. Die worden de komende nacht met de vrachtwagen gebracht. We bestellen twee banden, zodat we ook een reserve hebben, hoewel we die zonder velg er nooit gelijk op kunnen leggen. Het thuiskomertje blijkt achteraf ook niet meer gerepareerd te kunnen worden. Nederlanders die we in Dawson City hebben ontmoet, zijn zo vriendelijk geweest om ons een lift te geven naar onze auto waardoor we al onze spullen er uit kunnen halen. Een dag later lift ik (Pierre) terug naar de auto met een nieuwe band. De plaatselijke dominee geeft me een lift tot de kruising met de Dempster Highway. Hij gaat het wegrestaurant binnen en drinkt een kop koffie, samen met een dakloze die hij ook een lift gaf. Na een half uur heb ik nog steeds geen auto gezien die de Dempster Highway oprijdt, behalve een van een wegwerker, maar die mogen geen lifters meenemen. Dezelfde dominee ziet me nog steeds staan en besluit me een lift naar onze auto te geven. Ontzettend aardig, want in het komende uur was er nog steeds geen auto gepasseerd. Ik had dus lang kunnen wachten. Al met al zijn we hier door een hoop aardige mensen geholpen. Zonder hen hadden we nooit onze reis zo snel kunnen hervatten. We zijn ze dankbaar.
Een oponthoud van een paar dagen. Maar gelukkig is Dawson City niet de meest vervelende stad daarvoor. Daarbij hadden we zonnig en warm weer. De stad zelf lijkt wel een beetje op een oude western decor. Er is hier ontzettend veel naar goud gezocht (en gevonden) en de omgeving van Dawson City getuigt daar nog steeds van. Overal liggen grote hopen met steenpuin, uit de rivieren gehaald en gezeefd.
Eindelijk beginnen we dan toch aan ons Alaska avontuur. We steken vanuit Dawson City de rivier met een ferry over. We rijden nu zonder complete reserveband en we moeten een heel stuk over een onverharde weg. We rijden over de ‘Top of the World Highway’. De weg gaat over bergkammen en geeft een vergezicht naar zowel rechts als links en voor ons zien we de weg slingerend verder de woestenij in verdwijnen. Zo ver als we kunnen kijken niets anders dan bergen. Aah, dan toch, een gebouw. Het blijkt het douanekantoor te zijn. We zijn bij de grens met Alaska aangekomen. Nadat we plechtig hebben beloofd dat we geen vuurwapens bij ons hebben, mogen we, weer een paspoortstempel rijker, doorrijden.
De weg voert nog een 160 kilometer verder voordat we de Alaskan Highway weer bereiken. Onderweg zijn we nog Chicken, met 21 inwoners, gepasseerd.
Over de Alaskan Highway rijden we naar het eindpunt van deze weg naar Delta Junction. Daar kunnen de ijverige toeristenjagers bij het informatiebureau een certificaat halen dat ze de Alaskan Highway helemaal hebben gereden. Wij willen echter alleen maar informatie over de gesteldheid van een bepaalde, onverharde, weg. Dat was echter te veel gevraagd. Ergens anders vinden we uit dat de 200 kilometer lange weg erg slecht is en zeker niet wordt aangeraden om zonder reserveband te berijden. We zetten dus koers naar Fairbanks, de meest noordelijke bestemming op onze reis, bijna 65 graden noorderbreedte. Maar eerst passeren we nog het plaatsje Northpole. Jawel het woonadres van de Kerstman voor Noordamerikanen. Als je een brief stuurt, komt die daar aan. Er is een hele grote winkel met alleen maar kerstartikelen en inderdaad er hangen heel veel brieven in de winkel.
Onderweg naar Northpole hadden we ten zuiden van ons al grote rookpluimen gezien. Het blijkt een bosbrand te zijn. Het is de eerste van het seizoen en de lokale bevolking hoopt dat het geen voorbode is voor de rest van de zomer, wij hopen het van harte met ze mee.
We passeren Fairbanks en buigen af naar het zuiden. We zoeken een kampeerplaats, maar de eerste ligt onder de rook van de bosbrand en daarna komen we er geen meer tegen. Ook andere accommodatie is er niet te vinden op deze weg. Uiteindelijk rijden we helemaal door naar Denali Nationaal Park. Het is begonnen met regenen en we zijn doodvermoeid. Laat checken we in bij een motel.
De volgende dag rijden we de laatste tien kilometer naar de ingang van het Denali Nationaal Park. We mogen het park maar gedeeltelijk met eigen vervoer inrijden. Willen we verder, dan moet dat met een bus van het park. De hoogste berg van Noord-Amerika, Mount Mc. Kinley, is hier gelegen. Omdat het weer slecht is en de bewolking laag hangt, beperken we ons in dit Nationaal Park tot de videofilmpjes die in het informatiecentrum worden vertoont en de tentoonstelling. Daarna rijden we naar Anchorage, de grootste stad van Alaska, maar niet de hoofdstad. We hebben een kamer in de buurt van een groot meer, zodat we de watervliegtuigjes af en aan zien vliegen.
Vanuit Anchorage rijden we naar Seward. De eerste helft van de rit is mooi, daarna vast ook, maar door de regen zien we daar maar bar weinig van. We besluiten toch maar om een nacht in Seward te blijven en ‘s avonds wordt het droog. We lopen naar de haven waar een zeeleeuw zich te goed doet aan een grote vis en verwonderen ons om de enorme grote campers die hier allemaal geparkeerd staan. Het is hier in Canada en Alaska heel populair om met een camper rond te trekken. De Amerikanen en Canadezen doen dat zelf ook en hun campers hebben vaak de omvang van een bus waarbij aan beide zijden van de camper twee of drie compartimenten uitschuiven, waardoor de ruimte enorm wordt. Naast de eigenaren, vaak 70plussers die niet eens een normale auto kunnen besturen, maken ook honden, katten en andere snuisterijen onderdeel van de inventaris uit. Daarnaast hebben ze meestal achter dit gevaarte nog een grote auto hangen die dan dienst doet als boodschappenwagen. Achter deze auto passen altijd nog wel een paar fietsen en voor eventuele kano’s is plaats bovenop de camper. We vragen ons af of deze mensen ook nog een huis hebben. Het lijkt ons een overbodige luxe.
‘s Avonds maken we nog een ritje naar de Exit gletsjer. Dat is een van de gletsjers die van een ijsplateau in een van de dalen uitloopt. De Exit gletsjer is eenvoudig te bereiken. Slechts een half uurtje lopen vanaf de parkeerplaats. Terwijl we daar rondlopen, ziet Ellen op een berghelling, zo’n vijfhonderd meter van ons vandaan, een zwarte beer lopen. Met onze verrekijker kan ik hem inderdaad ook spotten. Het is de eerste zwarte beer die we zien tijdens een wandeling. Deze is op een hele veilige afstand.
‘s Ochtends nemen we nog een kijkje in het Sealife Center. Hier zien we onze eerste puffins. Ze leven hier ook in het wild op de rotsen en kliffen (en dus alleen per boot bereikbaar), maar omdat ze schuw zijn, zijn ze normaal niet van dichtbij te zien. Daarnaast zien we natuurlijk nog vele andere soorten vissen en dieren.
We zitten op een schiereiland en het weer is niet verbeterd. We besluiten dan ook om niet naar Homer, aan de andere kant van het schiereiland, te rijden, maar in plaats daarvan naar Valdez te gaan. We rijden daar in twee dagen naar toe.
De route naar Valdez loopt regelmatig langs de grote oliepijplijn die van Prudhoe Bay in het noorden naar Valdez in het zuiden loopt. Valdez is de meest noordelijke ijsvrije haven van Alaska. De pijplijn heeft een doorsnede van 1,20 meter en is 1280 kilometer lang waarvan bijna de helft ondergronds is gebracht. De oliepijplijn is niet een rechte pijp, maar maakt vele bochten en daarnaast kan de pijplijn ook op de dragers nog een meter heen en weer manouevreren. Dit om de werkingen van de koude en warmte te kunnen opvangen als ook de gevolgen van een aardbeving. Onderweg zijn 8 pompstations en worden drie bergketens gepasseerd. Elke dag wordt er zo’n 160 miljoen liter ruwe olie doorheen gepompt.
Valdez is natuurlijk ook bekend om zijn olieramp (ruim 40 miljoen liter) op 23 maart 1989 met het schip de Exxon Valdez. Maar nu, bijna 20 jaar later, is daar niets meer van te zien. Zandkastelen bouwen op het strand wordt nog steeds afgeraden, want dan kom je wel onder de olie te zitten. Een andere toeristische trekpleister dankzij deze ramp is het plaatselijke cafe. De kapitein van het schip heeft zich hier volgens de geruchten volgedronken voordat hij aan boord ging.
Helaas hebben we in Valdez ook te maken met het typische Alaska-weer. We bekijken nog wel het dorp inclusief het eindpunt van de oliepijpleiding, maar houden het verder voor gezien.
Vanuit Valdez rijden we terug richting Canada. We willen nog naar Haines (ook Alaska), maar om daar te komen, moeten we via Canada. Vroeg in de middag passeren we de grens. We zijn van plan om in de buurt van het Kluane Nationaal Park te overnachten. Helaas, vrijwel alle accommodatie is nog gesloten. Raar, want het is inmiddels al 1 juni en het seizoen is nu toch zeker wel begonnen. Zelfs enkele tankstations zijn nog gesloten. Zo zijn we gedwongen om door te rijden tot aan Haines Junction. Dit is maar 160 kilometer van Whitehorse. We besluiten om eerst naar Whitehorse te gaan en later naar Haines. Uiteindelijk blijven we 4 volle dagen in Whitehorse. Onze vrienden zijn in Vancouver en we hebben het hele huis voor ons alleen. We doen veel achterstallig werk op de computer en genieten van het mooie weer.
Daarna rijden we naar Haines. Onderweg stoppen we een paar keer om een wandeling te maken. We passeren weer een hoge pas. Alles is nog wit, er ligt nog een meter sneeuw langs de kant van de weg. We spenderen uren aan het vinden van geschikte accommodatie, maar het is allemaal slechte kwaliteit voor veel geld. Uiteindelijk vinden we iets wat ons wel wat lijkt, maar de eigenaren zijn niet thuis. We checken, moe als we zijn, ergens anders in. ‘s Avonds bellen we nog met de andere accommodatie en als ze thuis zijn, besluiten we om te gaan kijken. Het is een compleet ingericht appartement, met luxe ontbijt en uitzicht over de baai. We besluiten dit te nemen voor de volgende twee nachten. Het blijken heel aardige mensen te zijn. Nadat ze vernomen hebben dat Ellen een melkalergie heeft, gaat ze direct aan de slag om voor haar apart brood te bakken en aparte zoetige lekkernijen te maken. Omdat haar man jarig is, krijgen we ook nog een stukje taart aangeboden. Echt heel aardig allemaal.
Eindelijk hebben we eens geluk met het weer in Alaska. En wat is het dan toch ontzettend mooi. We worden gelijk enthousiast over Alaska, maar realiseren ons wel dat het weer een grote invloed heeft op hoe je zo’n mooi landschap kunt ervaren. Er is een aantal wandelingen naar bergtoppen die, naar we horen zeggen, een schitterend uitzicht geven op de eilanden en baaien ten zuiden van ons, maar deze zijn nog niet bereikbaar omdat de toppen nog bedekt zijn met een flinke laag sneeuw. Het is daarom niet mogelijk om boven de boomgrens te komen. We besluiten om een aantal kustwandelingen te maken. Het pad is erg mooi, een soort tropisch regenwoud, en onderweg passeren we een aantal baaien. Het uitzicht vanaf hier is schitterend. De tweede dag is het zelfs onbewolkt en het water kalm. Aan de overkant van de baai zien we onze eerste walvis. Het is van grote afstand, maar we zien hem duidelijk zijn staart omhooggooien voordat hij een diepe duik maakt. Daarna zien we hem nog een keer terug. Verder is dit het gebied van de Baldeagle, een adelaar die hier het hele jaar is te zien. Nu zijn er slechts een paar honderd, maar in november zwelt dit aantal aan tot bijna vijfduizend. Op een boomtak kunnen er dan gemakkelijk drie naast elkaar zitten. Deze adelaren hebben een spanwijdte van ruim twee meter.
De dag dat we van Haines terug rijden naar Whitehorse genieten we van een onbewolkte hemel, waardoor de route, die op de heenweg al mooi was, nu nog veel mooier is.